Logo
Oleh-Dara-Nya

 

        

 


 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Antwoord 1.. Rom. 14:8; 1 Tes. 5:9, 10; 1 Kor. 6:19, 20; 1 Kor. 3:23; Tit. 2:14; 1 Petr. 1:18, 19; 1Joh. 1:7; 1 Joh. 2:2, 12; Joh. 8:34-36; Heb. 2:14,15; 1 Joh. 3:8; Joh. 6:39; 10:27-30; 2 Tes. 3:3; 1 Petr. 1:5. Mat. 10:29, 30; Luk. 21:18; Rom. 8:28; Rom 8:16; 2 Kor. 1:22; 5:5; Ef.1:13, 14; Rom. 8:14; 1Joh. 3:3.

Antwoord 2. 
 Mat. 9:12; Joh. 9:41; Rom 3:10; 1 Joh. 1:9, 10; Luk. 24:46, 47; Joh. 17:3; Hand. 4:12; 10:43; 1 Kor. 6:11; Tit. 3:3-7; Ps. 50:14, 15; 116:12, 13; Mat. 5:16; Rom. 6:12, 13; Ef. 5:10; 2Tim. 2:15; 1Petr. 2:9, 12. Zie voorts Mat. 11:28-30; Ef. 5:8

De verlossing van de zonde, het middelpunt van de troost

Inleiding  
In de kerk van de reformatie is een goede plaats ingeruimd voor de Catechismus. Het catechetisch onderwijs heeft de kerk eeuwenlang gediend. Juist in de kerk van de reformatie is er plaats voor de Catechismus. Het doel van de HC was niet alleen om de Christelijke leer in de kerken, op de catechisatie en op de kansel toe te lichten, maar ook om in de scholen de jeugd met deze onderwijzing in de Christelijke leer bekend te maken. De Heidelberger Catechismus is ontstaan in een bange tijd. In een tijd namelijk dat het erfgoed, dat God door mannen als Luther en Calvijn weer aan het daglicht gebracht had, opnieuw verduisterd dreigde te worden door allerlei twisten in de kerk van de reformatie. Het pas ontvangen goed werd bedreigd van alle kanten. Allerlei sekten staken de kop op. De godvruchtige keurvorst van de Paltz, Frederik de Vrome, wist ook niet aan wiens kant hij moest gaan staan, wie nu de waarheid van de Schrift leerde. Toch was het zijn verlangen om zijn volk in de vrees van de Heere te onderwijzen. Toen is onder Gods leiding een overleg gehouden tussen de verschillende groepen uit het protestantisme en daar heeft God licht gegeven. Licht onder sommigen die daaraan deelnamen, maar ook licht in het hart van de keurvorst. En toen het bleek dat degenen die de gereformeerde godsdienst aanhingen geheel en al vanuit de Bijbel spraken, toen heeft de keurvorst zijn keuze gemaakt en gezegd: Deze waarheid wil ik verdedigen. Deze waarheid wil ik aan mijn volk doorgeven. Ik wil dat deze waarheid wordt voortgeplant van geslacht tot geslacht. Hij heeft toen aan de theologische faculteit van de universiteit van Heidelberg opdracht gegeven om een leerboek samen te stellen, om de kerk, en wel in het bijzonder om de jeugd van de kerk, te onderwijzen in de leer van het Woord van God. Het is in 1563 onder het volk verspreid.

Dat leerboek hebben we nu na ruim vierhonderd jaar nog. En nog steeds is onze Heidelberger ons lief en wordt er in vele talen uit onderwezen. Nog steeds is het ons troostboek. Nog is het een boek dat we naast de Bijbel telkens opnieuw opslaan. Niet omdat het enige verbetering aan zou brengen of omdat het de plaats in zou nemen van het Woord van God, maar omdat het, in het kort samengevat, de waarheden van de Bijbel inhoudt en als een helder licht schijnt, ook in de tijd waarin wij leven. In de tijd waarin wij leven, waarin bijna geen waarheden ongeschonden blijven, is dit troostboek nuttiger en meer nodig dan ooit te voren. De Heidelberger is een gids om ons de weg te wijzen onder de hoede van het Woord van God. Het is vooral een boek dat samengesteld is om eenvoudigen in het rechte spoor te leiden. Het is geen diepzinnige theologische verhandeling. Het is boven alles een boek dat troost biedt, troost tegen zoveel verdriet, tegen zoveel bangheid, tegen zoveel opschudding en tegen zoveel rumoer waaraan de kerk van de reformatie ook in die dagen was onderworpen. Twee jonge mannen, Caspar Olevianus en Zacharias Ursinus, ze waren nog maar 26 en 28 jaar oud, zijn door God met hemels licht bestraald geweest om dit ongeëvenaard troostboek samen te stellen. Ja, altijd weer opnieuw wanneer we de waarheden lezen die hierin uitgelegd worden, maar ook de manier waarop ze die waarheden aan ons hebben gepresenteerd, wekt dat onze verwondering. Dan zeggen we elke keer weer opnieuw: O, God, wat hadden die mannen een licht van U, wat hebben ze dicht bij U geleefd. Wat hebben ze de kern van de waarheid gesmaakt in hun ziel. En daarom kunnen ze ook tot onderwijzers zijn, eeuwen en eeuwen lang. Nee, in plaats dat het ons hindert dat dit boek al zo oud is, is het ons een blijdschap. Want we erkennen in de taal van deze mensen de werking van Gods Geest, en het leven dat God in hun ziel verheerlijkt heeft. We voelen ons na zovele eeuwen met hen verbonden. Eén in hun strijd, maar ook één in hun troost, in hun verwachting.

Toepassing
De Catechismus is verdeeld in 52 zondagen met als doel dat ieder zondag een gedeelte wordt behandeld voor de gemeente. De eerste zondag is een inleiding. De onderwijzer begint recht op de man af, zo is trouwens de hele Catechismus. Hij gaat voor ons staan en vraagt aan u en aan mij: Wat is uw enige troost? Het gaat dus in de eerste plaats om deze troost. Wie redt zijn ziel van het graf? Ja, wie? Wat is uw enige troost tijdens uw leven maar ook als u uit het leven scheidt, in het sterven? Wat heb ik eraan getroost door het leven te gaan als de dood me aangrijnst met zijn ongekende huiveringwekkende macht. Indien ik niet weet wat er gebeurt, wanneer mijn ziel van mijn lichaam scheidt. Wat heb ik aan de troost als de angst voor sterven mijn leven vergalt? Nu, zegt de onderwijzer, wat is uw enige troost beide in het leven en sterven. Onze onderwijzer geeft een antwoord. Nu geeft God een antwoord in deze Catechismus. Luister, hier zegt de onderwijzer: Ik ken een troost beide in het leven en sterven, in gezonde en in zieke dagen. Ik ken een troost. God heeft het mij geleerd:

Ik ben niet meer van mijzelf. Dat ik met lichaam en ziel, zowel in leven als in sterven , het eigendom ben, niet van mijzelf , maar van mijn getrouwe Zaligmaker Jezus Christus. Want Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen voldaan en mij uit alle macht van de duivel verlost.

Als u verder het antwoord leest, dan zult u bemerken dat reeds in de eerste vraag het werk van de drieenige God ons voorgesteld wordt. Daar wordt gesproken over het kopen door Jezus met Zijn dierbaar bloed. Over het vrijmaken door Hem van de heerschappij van de zonde. Daar wordt gesproken over mijn hemelse Vader die zo voor mij zorgt dat er geen haar van mijn hoofd vallen kan. Dat alles tot mijn zaligheid moet dienen.

Ten slotte, daar wordt gesproken van God de Heilige Geest Die mij van het eeuwige leven verzekert en Die mijn hart bekeert. Daarom geeft Hij mij door zijn Heilige Geest ook zekerheid van het eeuwige leven en maakt Hij mij van harte bereid om voortaan voor Hem te leven.

In deze Zondag vindt u als het ware het merg, de samentrekking van hetgeen in het hele troostboek vermeld wordt. Hier wordt in het klein het hele Evangelie samengeperst in een paar krachtige zinnen. Hier roept de mens uit, die een goddeloze was, maar die nu verzoend is door de dood van Christus: Ik ben getroost voor lichaamssmart en zielesmart. Getroost voor tijd en eeuwigheid. Hoe dan? Wel, zegt hij: Jezus heeft mij verlost en met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald. Hij noemt hier de verlossing van de zonde het centrale van de troost. Dat begrijpt de wereld niet. Dat weet de wereld niet. Daar wil de wereld ook niet weten. Geen mens wil bekennen dat zijn zonde de oorzaak van al de ellende is, van het ongetroost zijn. Luister maar en kijk maar en lees maar, dan zult u het bemerken.

Mijn zonden zijn mij vergeven door het dierbaar bloed
O, als die zonden er maar tussenuit zijn. Dan wordt alles anders. De onderwijzer heeft het ervaren. Hij weet het. Mijn zonden zijn verzoend. Hoe? Met Zijn dierbaar bloed. We komen die uitdrukking in de Catechismus verschillende malen tegen. Daar zijn geen woorden te vinden om de zaligheid en de dierbaarheid van het bloed van Christus uit te drukken. Want het bloed van Christus dat is het leven van Christus. En het leven van Christus dat is de liefde van Christus. Dus als hier de onderwijzer zegt: Mijn zonden zijn mij vergeven door het dierbaar bloed, dan zegt hij: Mijn zonden zijn mij vergeven omdat Jezus stierf. Omdat Hij zijn leven afgelegd heeft voor mij. Dan zegt hij: Mijn zonden zijn mij vergeven door de liefde van Jezus Christus. De Heilige Geest doet nog meer. Hij verzekert niet alleen van het eeuwige leven, van de vrede met God, maar Hij maakt ook mijn hart anders. Hij maakt mij willig en bereid om voor de Heere te leven. Nu, hieraan kunt u het weten of die troost in uw leven door God gewerkt is. Want u kunt niet zeggen: Ik ben getroost, want Jezus is mijn Zaligmaker en dan toch in de wereld en in de zonde leven. Dan spreekt u de waarheid niet, dan is uw geloof niet echt. Dan is uw troost iets wat u zelf bedacht hebt, dan is het niet de verzekering van de Heilige Geest, maar dan is het de verdorvenheid van uw van God vervreemd hoogmoedig hart, die u dit wijs maakt. Maar omgekeerd, wanneer Gods Geest in uw leven werkt en de Heere u verzekert van uw zaligheid, en de troost van Gods barmhartigheid uw ziel doorstroomt, dan is daar onlosmakelijk aan verbonden: Heere, dan zal ik U zoeken, dan zal ik U dienen. Weg wereld, weg schatten. Dan wil ik bij de Heere zijn. Als dat het oprechte verlangen van uw hart is, als dat de behoefte van uw ziel is, als het de pijn van uw leven is zonde te doen, als het de hemel en de zaligheid van uw leven is de Heere na te volgen, dan bent u een kind van God. Dan heeft God ook u losgekocht. Dan is de Heilige Geest ook in uw hart uitgestort.

Ik heb geen lust in uw dood, maar dat u zich tot Mij bekeert
Begin dan deze dag eens te smeken tot God. Begin u dan te bekeren tot de levende God. Zie toch wat een arbeid God aan uw ziel besteedt. Hoort Zijn stem: Ik heb geen lust in uw dood. O, zondaar, dáárin heb Ik lust dat u zich tot Mij bekeert, opdat u het leven ontvangt. En dan vraagt de onderwijzer: Hoe hebt u dat geleerd? Hoe bent u daar dan achter gekomen? Dan zegt hij: Dat is me door God geleerd in deze weg, in deze drie stukken: Ten eerste God heeft mij doen zien hoe groot mijn zonde en ellende zijn, en Hij heeft mij geleerd hoe ik van al mijn zonde en ellende verlost word, en Hij heeft in mijn hart het verlangen gegeven om de Heere dankbaar te mogen zijn voor Zijn werk. Daar waar God Zijn Geest in het hart geeft, daar word ik ontdekt aan mijn zonde en vervloeking, aan mijn verloren staat voor God. Daar moet ik vallen voor God, doch niet als iemand die geen hoop meer heeft. Maar 't is het vallen van een mens, die hopeloos wordt van zichzelf, maar die zijn hoop bouwt op God. Die zo de pijn van de zonde gevoelt, die zo tot God vlucht, omdat hij gelooft dat bij hem milde handen en vriendelijke ogen zijn, die begint vanaf dat ogenblik de Heere te dienen. Van harte gewillig en bereid te zijn om Hem te mogen volgen. Daar heb je de drie stukken, die God uitwerkt in het leven van al Zijn kinderen, vanaf het uur van de wedergeboorte, tot aan de zalige tijd dat we uit dit leven mogen scheiden en ingaan in de vreugde van de Heere.

                          


















 


a

LOGO

Zondag-1






Sola Scriptura