Logo
Oleh-Dara-Nya

 

        

 


 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hij heeft ons voorbestemd om als Zijn kinderen aangenomen te worden, door Jezus Christus, in Zichzelf, overeenkomstig het welbehagen van Zijn wil,tot lof van de heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde.   (Efese 1:5-6)

Antwoord 33.
  

Joh. 1:14; 18; 3:16; Rom. 8:32; Hebr. 1:1, 2; 1 Joh. 4:9; Joh. 1:12; Rom. 8:15-17; Gal. 4:6; Ef. 1:5, 6.

Antwoord 34. 

Joh. 20:28; 1 Kor. 6:20; 7:23; Ef. 1:7; 1 Tim. 2:6; 1 Petr. 1:18, 19; 2:9.

De grootheid van de Middelaar tussen God en mens

Drie hoofdthema's in Zondag 13
1.
 De grootheid in Zijn goddelijke natuur
2.  De grootheid in Zijn goddelijke genade
3.  De grootheid in Zijn goddelijke heerschappij

Inleiding
Er wordt in vraag 33 gesproken over de eniggeboren Zoon van God en in vraag 34 over onze Heere. Het eerste is de betrekking, waarin Hij staat tot Zijn Vader, de eniggeboren Zoon. Het tweede is de betrekking, waarin Hij staat tot ons. Hij is onze Heere. De Zoon van de Vader en onze Heere. Dat ziet dus op de Middelaars-verhouding tot ons. We zijn immers bezig met de namen Jezus Christus, onze Heere. Nu gaat het over dat laatste gedeelte, dus Zoon van God, onze Heere. God is Vader omdat Hij een Zoon heeft. Maar hier is het omgekeerd. Hier gaat het dus niet in de eerste plaats over de Vader, maar hier gaat het over de Zoon. We kunnen ook nu natuurlijk niet de Zoon noemen zonder de Vader te noemen. Want Hij is de Zoon van de Vader. Er wordt hier dus niet alleen gesproken over het Zoonschap van Christus, maar wordt ook aansluitend de troost daaruit verkondigd. Hij is Zoon en omdat Hij Zoon is, zijn wij kinderen. Hier wordt onlosmakelijk het voor ons troostvolle en bevindelijke element eraan toegevoegd. Wat zou het nu baten, enkel te weten dat Jezus de Zoon van God is? Dat weet de duivel ook, maar daar is hij niet zalig mee. Maar dit is mijn troost, dat Hij de Zoon van God is én dat Hij als Gods Zoon, Verlosser, Jezus Christus, Heere is, van zondaren en dat ik door het geloof zeggen mag: Hij is de Zoon van God en als Zoon van God is Hij mijn Broeder, mijn oudste Broeder. Ik ben ook Gods kind, juist door Hem.

Jezus, Zaligmaker
Christus zegt tegen de farizeërs, wat denkt u van de Christus? Wiens zoon is hij? En dan zeggen ze: Davids zoon. Maar waarom noemt David Hem dan zijn Heere? Hoe kan hij nu, zowel Davids zoon zijn, als Davids Heere? Want de HEERE heeft gesproken, zegt David, tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand. Hoe kan dat nu, zegt Jezus. Dan plaatst Hij deze farizeën voor dit goddelijk onderwijs en dan luistert Hij, of ze Zijn woord hebben begrepen en, of ze Hem erkennen als de waarachtige God. Dan blijkt, dat hun hart daarvoor gesloten is. Elke keer weer opnieuw botst het juist hierop. Het botst niet, omdat Hij blinden en kreupelen en doven genas en doden opwekte. Het botste hier, omdat Hij zei: Ik ben Gods Zoon. Dat wilden ze niet geloven. Daar zat natuurlijk veel meer aan vast, dan alleen maar niet willen geloven. Want zij, de Joden in het bijzonder de farizeën en de schriftgeleerden, hebben zich de Messias, de Zoon van God heel anders voorgesteld. Jezus was voor deze mensen, zoals Hij voor de hele wereld altijd al geweest is: één grote teleurstelling. Want, Jezus beantwoordt niet aan de idealen van de natuurlijk mens. Toen niet en nu niet. Hij wil uw Redder, uw Verlosser, uw Weldoener niet zijn, als Hij die éne niet zijn mag, uw Zaligmaker.

Jezus Heere en God
Het hoofddoel is van Jezus komst op aarde was de kracht van de satan, de macht van de zonde, de werken van de boze te verbreken. Wanneer het rechtstreeks op Zijn arbeid aankomt, dan zegt Hij tegen Kajafas: Ja, Ik: U hebt het gezegd. Wij zouden zeggen: Ja, volmondig Ja. Dan ontkent Hij het niet. En Hij wist; dat zou hem het leven kosten. Nu moet Hij de dood sterven. Hij heeft zich gelijk gemaakt aan God. Hij heeft God gelasterd. Dat is de consequentie van het ongeloof. Dat is ook nu nog de consequentie van het ongeloof. Als Jezus Christus, de Zoon van God is, dan is, dan moeten we onder Hem buigen, dan moeten we Hem ootmoedig te voet vallen, dan moeten we ons leven aan Hem verliezen en een nieuw leven door Hem beginnen of Hij is voor ons van geen betekenis. Als Hij geen God is, dan heeft Hij voor ons geen betekenis. Waarom niet? Wel, als Hij geen God is, dan kan Hij ons ten diepste niet verlossen van de goddelijke toorn. Dan kan Hij ons hoogstens een voorbeeld zijn. Wanneer we met Petrus tot de belijdenis komen op Zijn vraag: Maar jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben? Dan zegt Petrus: U bent de Christus, de Zoon van de levende God. Dan zegt Jezus: " Zalig bent u, Simon, Bar-Jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemel is. Thomas heeft het bekend en uitgeroepen: Mijn Heere en mijn God! Dit behelst nu de twee delen van deze zondags-afdeling. Mijn God, zegt Thomas en dan zegt Jezus niet: nee Thomas, dat ben Ik niet, dat mag je niet zeggen. Nee, de Heere Jezus aanvaardt die lof, want Thomas spreekt Hem terecht zo aan. Thomas mocht het zien door het geloof en zegt ook, Mijn Heere, Die het in mijn leven voor het zeggen heeft. Jesaja noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst. Ook Jesaja heeft het reeds geweten, dat Hij is de enige eeuwige Zoon van God. Daar staat, dat Hij is de eeuwige en natuurlijke Zoon van God. Hij is uit de natuur van God geboren. Hij heeft een goddelijke natuur. Zoals wij een menselijke natuur hebben, zo heeft God een goddelijke natuur en nu heeft de Zoon van God, de goddelijke natuur, dat wil zeggen, Hij is even alwetend als de Vader. Hij is even almachtig als de Vader. Hij is overal tegenwoordig gelijk de Vader. Hij heeft al de goddelijke eigenschappen, die de Vader heeft en die de Heilige Geest heeft, dat wil zeggen, dat Hij de natuur van God deelachtig is. En dan is Hij ook de eeuwige Zoon van God.

Alleen als we opnieuw geboren worden, dan worden
we kinderen van God

Naarmate we door de ontdekking van de Heilige Geest meer en meer bekend gemaakt worden aan onze totale onmacht, aan onze diepe verlorenheid, aan de hardnekkigheid van onze zonden, naar die mate zullen we steeds meer en meer verlangen om de kracht van Christus te mogen ervaren. Die almachtige goddelijke middelaarskracht, die Hij aanwendt om ons in onszelf dode ongelukkige zondaren van onder de heerschappij van de satan te verlossen en ons vrij te maken van de banden, waarin wij gevangen liggen, om ons weer kinderen van God te maken. Want, staat er: Hij is de eeuwige natuurlijke Zoon van God, maar wij zijn toch ook kinderen van God? Ja, zegt de onderwijzer, dat zijn we, maar, wij zijn om Jezuswil uit genade tot kinderen van God aangenomen. Hij wil daarmee benadrukken dat wij wel kinderen van God zijn, maar niet net als Hij, eeuwig en natuurlijk. Ook kinderen van God, echter, kinderen van God op een andere manier. Hij is uit God geboren van eeuwigheid tot eeuwigheid, maar wij zijn het om Zijnentwil, om Christus' wil. Omdat God in Christus Zijn gemeente verkoren heeft tot het eeuwige leven, uit genade tot kinderen van God heeft aangenomen. Dat zegt dus de onderwijzer. God heeft om Christus' wil ons uitverkoren. Aangenomen van eeuwigheid en hier in de tijd in het uur van de wedergeboorte, de nieuwe geboorte. Hij heeft ons toen door het geloof Christus ingeplant en door de onderwijzingen van de Heilige Geest vanaf dat moment geleerd, dat we van nature kinderen des toorns zijn, die in het rijk van Gods niet kunnen komen, tenzij we opnieuw geboren worden. Hij wekte dat kinderleven in ons. Hij deed ons de gestaltenis van Christus kennen. Hij gaf ons die nieuwe natuur. Niet een goddelijke natuur. Wij worden nooit God, zoals de Zoon van God eeuwig God is. Maar wij worden kinderen van God. We krijgen wel dat zelfde hart van Jezus. Straks is het net als Hij. Straks zal God niet meer over ons te klagen hebben. Met Christus in de hemel wandelende in Zijn menselijke natuur. We zullen Hem gelijk zijn, staat er. We zullen Hem zien, zoals Hij is. Daar zal geen onderscheid meer zijn. Dan zullen we met datzelfde hart, de Vader de eer toebrengen, zoals Christus dat de Vader toegebracht heeft.

God beproeft vaderlijk Zijn kinderen
Zo worden we meer en meer kinderen van God, ook in de gelijkenis, die we aan Hem vertonen hier op de wereld. Dat is dus, wat betreft dat kind van God zijn. Maar wanneer we nu kinderen zijn, dan zijn we ook de liefde van de Vader deelachtig, zoals Christus. Vader in de hemel zo wijs, dat Hij ons een flinke dosis tegenspoed beschikt. Dan hier en dan daar. Dan in het één en dan in het ander. Maar Hij heeft er Zijn opvoedkundige redenen voor. Hij weet het beste, wat goed voor ons is. Eenmaal zullen we Hem danken om de wijze Vaderhand, waarmee Hij ons hier heeft geleid. We zullen Jezus Christus liefhebben, waar Hij, van de Vader ontvangen regering ons geleid heeft, zoals Hij het gedaan heeft. Wanneer Hij ons altijd in de voorspoed van deze wereld deed delen, we zouden ook met de wereld verloren gaan. Nu Hij ons afscheidt van deze wereld, vaak door allerlei tegenspoed; zoeken we te inniger het Koninkrijk, dat onvergankelijk is. De tegenspoed zijn we, als Gods geliefde kinderen onderworpen

Daarom is Hij onze Heere, omdat Hij ons met lichaam en ziel
van al onze zonden vrijgekocht heeft

Dan tenslotte nog: Waarom noemt u Hem onzen Heere? Deze naam heeft de Heere Jezus niet altijd gehad. De naam Jehova, de HEERE, heeft Hij met de Vader eeuwig gehad. Maar, dat wordt hier niet bedoeld. Als hier staat in onze belijdenis: Gods eniggeboren Zoon, onze Heere, dan is het die gegeven naam, die Hij van de Vader als Middelaar heeft gekregen, als Middelaar tussen God en de mens. De Vader heeft Zijn Zoon alle heerschappij gegeven. De heidenen tot Zijn erfdeel en de einden van de aarde tot Zijn bezitting. Mij is gegeven, zegt Jezus; die macht had Hij niet, die heeft Hij als Middelaar tussen God en de mens gekregen. Dus deze naam is een gegeven naam. Dat is Zijn Middelaarsnaam en waarom heeft Hij nu deze naam en wat zegt ons die naam nu? Wel, dan antwoordt de onderwijzer niet: Hij heeft die naam van de Vader gekregen, omdat Hij nu Heere is geworden over hemel en aarde. Dat is ook waar; zo staat het ongeveer in de Catechismus van Calvijn. Maar de Heidelberger spreekt het nog liefelijker uit, die dringt hier nog dieper in het geheim van deze naam en doet ons Christus te inniger beminnen. Daar staat: omdat Hij ons met lichaam en ziel van al onze zonden vrijgekocht heeft. Omdat Hij dat gedaan heeft, heeft Hij die macht van de Vader ontvangen, dat is zeker waar. Maar hier wordt het hart van Zijn arbeid voorgesteld. Hier treden we het heiligdom binnen. Daarom is Hij onze Heere. Daarom noemen we Hem dus Heere, zo heet Hij niet alleen, maar zo noemen we Hem. De onderwijzer wil zeggen, dat is de naam, die God Hem gegeven heeft, maar dat is ook de naam die wij Hem geven. Daarom erkennen we Hem en daarom buigen we ons aan Zijn voeten neer, omdat Hij ons met lichaam en ziel gekocht heeft. Nu staat hier, dat Hij ook mijn lichaam gekocht heeft. Dat wil zeggen, Hij beschikt over me, over het aantal dagen dat ik leven zal, de wijze waarop ik leven zal, ziekte, gezondheid, rijkdom, armoede, voorspoed en al deze dingen, want Hij heeft ook mijn lichaam gekocht. En dan staat er: Met Zijn dierbaar bloed, niet met goud en zilver. God heeft Zijn Evangelie gepredikt en God heeft gezegd: Als u nu het bloed van het lam aan de bovendorpel en aan de zijposten doet, dan zal Ik u niet treffen, dan zal Ik u voorbijgaan. Achter dat bloed bent u veilig. Als Ik dat bloed zie, zegt de Heere, dan zal Ik aan u voorbijgaan.

Er is Eén gekomen, die sterker was dan satan
Laat het bloed van Jezus alleen genoeg zijn, beide in leven en in sterven. Want werkelijk, het is genoeg. Van àl mijn zonden vrijgekocht, staat er en van de heerschappij van de duivel verlost. De duivel heeft het niet meer voor het zeggen. Hij is geen koning meer in ons hart. Hij benauwd ons, hij bedroeft ons, hij springt als een brullende leeuw om ons heen, maar hij heeft de teugels van ons hart niet meer in de hand. Die zijn in Jezus handen. Die heeft Jezus uit zijn handen geroofd, weggenomen, overgenomen. Dat is niet, door onze bekering, maar dat is door de macht van Hem, die in de wereld kwam om de werken van de satan te verbreken. Wij zouden ons uit het huis van de sterk gewapende niet hebben kunnen bevrijden. Maar toen is er Eén gekomen, die sterker was dan hij. God zendt Zijn Heilige Geest, Die ons uit de gevangenis in de vrijheid, de blijdschap van de kinderen van God binnenleidt en zo Zich tot een eigendom maakt. Daar hebt u de echte vrijheid. Dat is niet een vrijheid om alles maar te doen, wat het vlees begeert. Dat is niet de vrijheid, die het ideaal van deze wereld is, om te leven in ongebondenheid, alles te doen wat de verdorven gedachte van een mens hem ingeeft. Maar, staat er, dit is een vrijheid om het eigendom van deze Heere te zijn. Dat wil zeggen, knecht van Jezus te zijn. We zijn kinderen van de Vader, maar knechten van Jezus en we zijn het graag. Paulus verheugde zich erin, dat hij een dienstknecht van Jezus Christus was. Geen groter eer voor een verloren zondaar, dan weer een dienstknecht van Jezus Christus te zijn. Zo zijn wij nu met lichaam en ziel het eigendom van onze Heere Jezus Christus. En we hebben goede hoop, dat Hij ons in het Vaderland zal terugbrengen. Waar Hij wel de Eerstgeborene zal zijn, maar waar wij Zijn broeders zijn zullen, om één Vader te dienen, om één erfenis te delen. En om één lied te zingen, als de Zoon het Koninkrijk de Vader zal hebben teruggegeven en God zal zijn alles en in allen.


                          

















 


a

LOGO






Sola Scriptura