Logo
Oleh-Dara-Nya

 

        

 


 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon uit, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om hen die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij de aanneming tot kinderen zouden ontvangen.  (Galaten 4:4-5)

Antwoord 35.
  

Mat. 1:23; 3:17; 16:16; 17:5; Mark. 1:11; Joh. 1:1; 17:3, 5; 20:28; Rom. 1:3, 4; 9:5; Fil. 2:6; Kol. 1:15, 16; Tit. 2:13; Heb. 1:3; 1 Joh. 5:20; Mat. 1:18, 20; Luk. 1:35; Luk. 1:31, 42, 43; Joh. 1:14; Gal. 4:4; 2 Sam. 7:12; Ps. 132:11; Mat. 1:1; Luk. 1:32; Hand. 2:30, 31; Rom. 1:3; Fil. 2:7; Hebr. 2:14, 17; 4:15; 7:26, 27.

Antwoord 36. 

Joh. 20:28; 1 Kor. 6:20; 7:23; Ef. 1:7; 1 Tim. 2:6; 1 Petr. 1:18, 19; 2:9.

Het Woord is vlees geworden

Twee hoofdthema's in Zondag 14
1.
 Als het wonder van Gods liefde
2.  Tot nut van Zijn kerk

Inleiding
De vorige Zondagen gingen over de namen van de Middelaar, Jezus Christus onze Heere en nadat we over de betekenis van Zijn namen gesproken hebben, geeft de onderwijzer ons nu een blik in Zijn werk. We weten nu, wie Hij is, nu gaat Hij ons leren, wat Hij voor ons doet; wat Hij voor ons gedaan heeft. Daarvan handelen in het bijzonder de Zondagen 14, 15 en 16. Bij de behandeling van deze zondag merken we in de eerste plaats op; de menswording van Christus, die een wonder van Gods liefde is. Niet alleen van de liefde van de Zoon, want het plan van de verlossing is immers voortgesproten uit het hart van de Vader. Hij was het die Zijn volk niet wilde missen en de wereld niet prijs wilde geven aan het geweld van de satan. Hij wilde niet dat de wereld een blijvende prooi zou zijn van de vorst der duisternis. Want Hij heeft Zijn schepping lief. God haat Zijn schepping niet, Hij haat ook u niet, al bent u onbekeerd. Hij haat de zonde in Zijn schepping en de zonde in u, maar Hij heeft Zijn schepping nooit gehaat.

Een daad van liefde van een drieënige God

1.
Een daad van de Vader
Opdat Hij nu Zijn schepping weer in Zijn gemeenschap zou brengen, heeft Hij Zelf een weg gebaand, waardoor verlorenen weer met Hem verzoend worden. Het plan van de verlossing is dus uitgegaan van de Vader. Hij was het, Die het heeft uitgeroepen: Wie is hij die met zijn hart borg wordt om tot Mij te naderen? -spreekt de HEERE (Jer.30:21). Toen was het, dat de Zoon Zich gaf als de beminde van de Vader; Die zich overgaf, om in de tijd op de aarde gezonden te worden in de gedaante van een mens. Vlees en bloed heeft Hij aangenomen om voor de zonde van de mensen te kunnen betalen en om aan het smetteloos recht van God genoeg te doen, opdat nu al degenen, die op Hem betrouwen en in Hem geloven, niet zouden verloren gaan, maar door de liefdedaad van de Vader verlost zouden worden en in de gemeenschap van de drieënige God zouden mogen verkeren.

2. Een daad van de Zoon
Het is ook een daad van de Zoon. Hij heeft zich vrijwillig gegeven, niemand oefende enige druk uit op het hart van Christus. Hij heeft het gedaan, omdat ook Hij de schepping beminde. De Vader heeft alle dingen gedaan door de Zoon. De schepping was er om Christus' wil en nu gaat Hij, die verloren schepping verlossen door de Zoon. Eenmaal is alles geschapen door de Zoon en nu gaat Hij ook herscheppen door de Zoon. De verlossing was dus ook een daad van de liefde van de Zoon, Die zich vrijwillig overgaf, om de heerlijkheid van de Vader te verlaten, die Hij had bij de Vader éér de wereld was. Om vernederd te worden, om als een vloek op aarde gesteld te worden en om onder de goddelijke toorn te lijden en te sterven.

3. Een daad van de Heilige Geest
Het is ook een daad van de liefde van de Heilige Geest, want er staat nadrukkelijk in de eerste vraag: Die ontvangen is van de Heilige Geest. De Heilige Geest heeft Zich ook zonder aarzeling bereid verklaard om het werk van de verlossing te volvoeren in de harten van zondige mensen. Die Geest had Zich met de val terug getrokken, maar is met de pinksterdag weer op aarde gekomen, om in het midden van de kerk woning te maken voor Christus. Ook voor de Geest die derde Persoon in het goddelijke wezen, even heilig als de Vader en de Zoon was het een opoffering en onpeilbare liefde, dat Hij dat doen wilde. Ook de Heilige Geest is op de aarde gekomen en overal, waar Hij Zijn voetstap zet, daar doet Hij het al ten zegen dijen, daar druipt het al van vet. Dat is die stroom, die van onder de dorpel van het Godshuis vloeit. Overal, waar Hij Zich heenwendt, maakt Hij de wateren van deze dode zee, van deze dode volkerenzee, levend en vruchtbaar.

Dat Jezus mens wilde worden, dat was liefde
Het werk van de verlossing is dus een wonder van liefde van een drieënig God, maar in het bijzonder van Christus. Hij heeft de menselijk natuur van vlees en bloed aangenomen. Christus, de tweede Persoon, is dus mens geworden, níet de Vader en níet de Heilige Geest. Dat Jezus mens wilde worden, dat was liefde. De geboorte van Jezus is ook een daad geweest. Onze geboorte is iets dat we ondergaan. Niemand vraagt om geboren te worden, maar Christus wel. Voor Christus was het geboren worden een daad, dat nam Hij aan. Met bewustheid is Hij op de aarde gekomen, in de schoot van Maria, door de werking van de Heilige Geest. Met bewustheid is Hij geboren geworden uit de maagd Maria. Niet, dat Hij, toen Hij een dag oud was, als mens bewustheid had dat Hij de Zoon van God was. Maar als God was Hij zich dat bewust, als God heeft Hij de menselijke natuur aangenomen. In de ontvangenis door de Geest is Hij geboren geworden uit de maagd Maria. Mensen hebben het verbond verbroken en de wet geschonden en Gods geboden licht geacht en nu moet er een Mens komen om goed te maken, wat de mens verdorven had. Dat kon dus niemand anders zijn, dan"de Mens" Jezus Christus. Om te kunnen lijden en sterven moest Hij onze natuur aannemen, zo laag buigen, dat Hij onze, door de zonde verzwakte menselijke natuur, zou aannemen. De Heere Jezus heeft niet de natuur van Adam in de staat der rechtheid aangenomen. Toen Hij op de wereld kwam, kwam Hij in onze verzwakte natuur, anders had Hij niet kunnen lijden en hongeren en dorsten en geen pijn kunnen voelen. Dit alles was er in de staat der rechtheid niet. Dit was dus vernedering voor Christus, dat Hij, Die geen zonde gekend had, lijden kon en smart kon dragen. Die natuur heeft Hij aangenomen door de Heilige Geest. We zien het, maar we doorgronden het niet.

De strijd tussen het slangenzaad en het vrouwenzaad
Het is een wonder door de Heilige Geest: uit de maagd Maria, opdat Hij ook het ware zaad van David zijn zou, zijn broeders in alles gelijk, behalve de zonde (Hebr.2:17). Het zaad van David, dat wijst terug naar David, de stamvader van onze Heere Jezus naar het vlees. Het wijst ons nog verder terug naar het zaad van de vrouw, wanneer hier de onderwijzer zegt, dat Hij het ware zaad van David is. Hij is de Beloofde, de aan de vaderen Toegezegde; Degene op Wie Adam en Eva gezien hebben en naar Wie Abraham verlangde en Degene, op Wie Jakob stervende zag. Hij is de God, Die niet geboren is zonder strijd. Zo oud als de belofte is, heeft ook de kerk de strijd tegen de belofte gekend. Die strijd is in het Paradijs begonnen en heeft zich toegespitst in de moederschoot van Rebekka, tussen een Jakob en een Ezau. En telkens zien we de strijd tussen het slangenzaad en het vrouwenzaad in vernieuwde vorm zich openbaren. In steeds groter machtswellust zal deze strijd bij de Edomiet opkomen om Jakob, om Israël te verslinden. En de strijd gaat voort in het leven van Israël, tussen Jakob en Ezau. En straks, als ze in de woestijn komen, is er Amelek, die het leven van het volk benemen wil en doden wil. Die strijd gaat voort in Haman de Agagiet, de nakomeling van Ezau, de Edomiet. Wanneer Israël wordt weggevoerd naar Babel, dan zijn het de Edomieten, die op de grensscheidingen staan en spotten met de ondergang van hun broedervolk Jakob, die vermaak hebben in het leed dat Gods kerk ondergaat vanwege hun zonde. Ja, was het niet een Doëg, die zijn hand sloeg aan de priesters des Heeren? Was hij niet uit het geslacht van Edom? Was het niet Herodes, de Edomiet, die de kinderen van Bethlehem vermoordde, daarbij denkende dat hij het zaad van de vrouw gedood had. Die strijd gaat voort, ook nu nog nadat Jezus aan de rechterhand van de Vader plaats genomen heeft in Zijn troon, heeft de draak zich geworpen op de vrouw, die het kind gebaard heeft. In de kerk, die is achtergebleven zal de strijd zich toespitsen. Het zal steeds erger worden in deze wereld, satan zal al zijn macht in de strijd werpen. Hij zal straks aan de donkerheid, die aan de komst van Christus zal voorafgaan, waarvan we de eerste barensweeën reeds vernemen, al zijn macht in de strijd werpen, menende, dat hij in die grote eindstrijd de overwinning behalen zal. Maar dan zal, als het hopeloos schijnt voor de kerk, het ware zaad van David op de wolken des hemels komen, als het beloofde vrouwenzaad, die de kop van de slang vermorzelen zal, en hem met al zijn helpers met eeuwige banden onder de duisternis binden. Hier ligt dus de spanning van de belofte in het ware zaad van David.

Jezus gehoorzaam aan de Vader tot in de dood
Jezus weet, wat het is van God verlaten te zijn en Zich nameloos ongelukkig te voelen en onder de band van de vloekende wet te verkeren. Is dat nu niet groot, dat Hij dit alles droeg, opdat Hij ons zou kunnen te hulp komen in al ons lijden? Is het niet groot, dat, wanneer wij dorsten en hongeren, lichamelijk maar ook geestelijk, dat we Hem mogen aanroepen in onze nood en zeggen: Heere Jezus, U weet er toch van, hoe ellendig ik me voortsleep over deze wereld en hoe beangst ik ben? Ja, als straks de dood ons aangrijpt, dan mogen we een beroep doen op Christus, en zeggen: Heere Jezus, U was toch ook benauwd om te sterven? En toen Hij in een zware strijd was, bad Hij te ernstiger (Luk.22:44). Toen riep Hij de naam van Zijn Vader aan, zeggende: Vader, als U wilt, neem deze drinkbeker van Mij weg: Maar aan de andere kant onderwierp Hij zich en zei: maar laat niet Mijn wil, maar de Uwe geschieden (Luk.22:42). Hij heeft ook alle treden van het natuurlijke leven beklommen en eindelijk, op de middaghoogte van Zijn leven, is Hij gestorven. Dit heeft Christus gedaan voor de Zijnen.

Wij hebben een Middelaar nodig die tussen God en onze ziel optreedt
Nu vraagt de onderwijzer, Welke waarde heeft de heilige ontvangenis en geboorte van Christus voor u? De onderwijzer is een praktisch man. Hij vraagt: Wat betekent het eigenlijk: ontvangen van de Heilige Geest en geboren uit de maagd Maria? Het antwoord luidt, dat Hij de menselijke natuur heeft aangenomen, Zijn broeders in alles gelijk. En nu wordt de onderwijzer heel persoonlijk. Hij vraagt: Wat heb u er nu eigenlijk aan, dat Jezus dat gedaan heeft? Dan wijst hij met de vinger naar een ieder van ons. Welke waarde? We hebben er niet in de eerste plaats stoffelijke voordelen van, dat Hij dat gedaan heeft. Geen rijkdom of voorspoed of ontheffing van het kruis, geen beloften dat rampen of ziekten ons niet zullen overkomen. Hij heeft gezegd: Laat wie achter Mij wil komen zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen. Wat is dan het voordeel? De onderwijzer zegt: Dat Hij onze Middelaar is, die met zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt. Is Hij dat ook voor u? Hebben ook wij een Middelaar nodig, die tussen God en onze ziel optreedt? Alles wat we nodig hebben wordt ons dan om Zijn wil geschonken. Maar eerst een Middelaar, Die tussen een rechtvaardig God en tussen mij, een schuldig zondaar wil gaan staan. En wanneer wil Hij dat doen? Als ik mijn schuld ga kennen en aan het eind gekomen ben met mijn schuld. Dat doet Hij van eeuwigheid tot eeuwigheid. Reeds in Zijn ontvangenis gaat Hij tussen Zijn vlekkeloze Vader en mij in staan met Zijn borgtocht.

Jezus staat tussen een heilig God en een schuldig volk
Die tussentreding van Christus in ons leven. Geen leed zal en kan het ooit uit ons geheugen wissen. Bedekken staat hier. U moet geen verschil maken tussen bedekken en uitdelgen en verzoenen. Met bedekken en uitdelgen, wordt in Gods Woord dikwijls dezelfde zaak met verschillende woorden aangeduid. Er zijn verschillende teksten, waar bedekken en vergeven hetzelfde betekent. In Psalm 32 wordt uitdelging en vergeving nog vóór bedekking genoemd. Maar als de onderwijzer hier zegt, dat hij onze zonden voor het aangezicht van de Vaders bedekt, dan heeft dat toch wel een andere betekenis, dan dat Hij zou zeggen, dat Hij ze daar verzoend heeft. Want in Zijn leven kon Hij onze schuld niet verzoenen, die moest aan het kruis betaald worden. Maar in Zijn leven is Hij ook in onze plaats gaan staan. Hij heeft heilig voor ons geleefd, om ons onheilig leven voor God te verzoenen. Hebben wij daar nu de troost van, dat Hij dat gedaan heeft? Wat een voorrecht voor die nietige stervelingen, voor wie Hij de oudste Broeder is. Hoe ellendig en ongelukkig, hoe ze het ook voor God mogen verderven, ze hebben er Eén, Die tussen God en hun schuldig leven in staat. Hij zal ons niet laten verzinken in het vuur en verderf. Maar Hij zal onze voeten vastmaken op de grond van Christus' borggerechtigheid. Dan zal Hij al schoner gaan blinken in ons leven. Dan zullen we het aanheffen: Dan zingen zij, in God verblijd, aan Hem gewijd, van 's Heeren wegen. En als we het elke dag weer opnieuw bederven; weet dan, dat er toch eenmaal een eind aan komt, aan ons leven en strijden en aan het vermoeien van God en het tegenstreven van de Heilige Geest. Wanneer we straks de laatste adem mogen uitblazen, en we Hem zullen zien, Die tussen een heilig God en een schuldig volk heeft gestaan. Dat Kind in de kribbe, Dat volkomen verzoening aanbracht. Wat zal het wonder groot zijn, dan te worden ingezameld bij de volken, die God zullen loven. Dan onder die grote schare van de verlosten te mogen zingen; dan de volle reinigende kracht van het water van de doop te mogen ervaren. Daar zullen zij, Gods knechten met hun zaad, zij die Zijn naam beminnen, erfelijk wonen!


                      
















 


a

LOGO






Sola Scriptura