Logo
Oleh-Dara-Nya

 

        

 


 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout, opdat wij, voor de zonden dood, voor de gerechtigheid zouden leven. Door Zijn striemen bent u genezen.   (1 Petrus 2:24)

Antwoord 37.
  

Jes. 53:4, 12; 1 Tim. 2:6; 1 Petr. 2:24; 3:18; Jes. 53:10; Rom. 3:25; 1 Kor. 5:7; Ef. 5:2; Hebr. 9:28; 10:14; 1 Joh. 2:2; 4:10; Gal. 3:13; Kol. 1:13; Hebr. 9:12; 1 Petr. 1:18, 19; Joh. 3:16; 6:51; 2 Kor. 5:21; Hebr. 9:15; 10:19.

Antwoord 38. 

Mat. 27:24; Luc. 23:13-15; Joh. 18:38; 19:4, 11; Jes. 53:4, 5; 2 Kor. 5:21; Gal. 3:13.

Antwoord 39. 

Gal. 3:13; Deut. 21:23.


De Christus moest lijden en opstaan uit de doden

Drie hoofdthema's in Zondag 15
1.
 De oorzaak van het lijden
2.  De aard van het lijden
3.  De vrucht van het lijden

Inleiding
We behandelen nu hetgeen Jezus gedaan heeft voor onze zonden. We hebben eerst gehoord wat Jezus was, in Zijn namen. In Zondag 14 hebben we gezien, hoe Zijn vlekkeloze ontvangenis en geboorte, onze zondige geboorte bij God bedekt heeft. Jezus als Middelaar tussen God en ons , reeds in Zijn ontvangenis en geboorte. Nu gaan we verder zien, wat Hij gedaan heeft in Zijn leven, in Zijn lijden en sterven. Dat Gods Geest ons mag leiden in dit heiligdom. Jezus liet Zich bespotten en geselen, wegvoeren en kruisigen, waar Hij Zijn mond niet opendoet wij beseffen niet, geloven niet, gevoelen niet in ons hart, dat hetgeen Hij deed, in mijn plaats was!

Jezus lijden was een exclusief lijden
Wat verstaat u onder het woord geleden, vraagt de onderwijzer: Christus heeft dus geleden, dat is wel een heel bijzonder lijden geweest. Wie zou het leed ook maar enigszins kunnen peilen, wat er over de wereld gebeurt van uur tot uur en van dag tot dag. Waren er geen zonden, er waren geen wonden. Hadden we de wet van God niet overtreden, waren we gebleven, wie we waren in het Paradijs. Maar het lijden van Jezus is van geheel andere aard. Hij heeft onschuldig geleden. Hij heeft de straf gedragen voor anderen. Zijn lijden heeft een heel andere betekenis. Het lijden van Jezus, in ziel en lichaam, is Hem in de eerste plaats van God aangedaan. Hij, de heilige God, die ook Zelf God was, de tweede Persoon in het goddelijk Wezen, Hij is de drager van de straf van de vloek van de zonde. Door de Vader met zoveel lijden onder helse angsten ter dood gebracht. Het lijden van Jezus Christus was geheel enig. Omdat het Hem door de Vader wordt aangedaan. De Vader was hier Rechter. De Vader veroordeelde Hem, de Onschuldige. Wat verstaat u onder het woord geleden ? Dan antwoordt de onderwijzer: Dat Hij tijdens heel de tijd van zijn leven op aarde, maar vooral aan het einde daarvan, de toorn van God tegen de zonde van het hele menselijke geslacht aan lichaam en ziel gedragen heeft. Om door Zijn lijden, als met het enige zoenoffer, ons lichaam en onze ziel van de eeuwige verdoemenis te verlossen en Hij voor ons door Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven verwierf. Geleden heeft Hij naar het lichaam in de loop van Zijn leven, in honger in de woestijn, in dorst aan de put van Samaria. Geleden in de hof van Gethsémané. Wat Hem aangedaan werd door de geselslagen van de Romeinse krijgsknechten en dan straks, wanneer Hij het kruis tot buiten de poort draagt en geen kracht meer heeft en bijna bezwijkt, dan lijdt Zijn lichaam ondraaglijke smart. En als de nagels door Zijn handen en voeten gedreven worden, dan lijdt Zijn lichaam onder de brandende zon en hangt Hij te verbloeden aan het kruis. Onuitsprekelijk is het lichaamslijden geweest en toch, het is niet het ergste geweest, dat Jezus geleden heeft, maar voor Jezus was het zielelijden het allerergste. Omdat Hij met een reine ziel deze zondige dampkring moest bewonen, waar aan alle zijden mensenkinderen Hem omringden, die een tong hebben waar alleen addervergif uitkomt: het vloeken tegen Hem en Zijn heilige Vader. Hij heeft geleden in de omgang met de mensen. Wat een lijden zal dat voor Jezus geweest zijn, dat één van de twaalf discipelen een duivel was. Dat Hij met Judas drie jaren heeft rondgewandeld.

Jezus heeft de toorn tegen de zonden van het gehele menselijk geslacht gedragen.
Dat de Vader Hem verliet, dat de Vader niets meer met Hem te doen wilde hebben, dat de Vader Hem als een vloek aanzag en Zijn aangezicht voor Hem verborg en Hem niet meer wilde ondersteunen. Wij horen de Borg reeds kermen onder de goddelijke verlating. Ja, die zielsbenauwdheid van Christus was zo groot, dat, toen Hij de hof van Gethsémané inging en onder de verbergingen van Gods aangezicht Zich op de aarde uitstrekte, het bloedig zweet uit Zijn poriën perste. Mijn God, Mijn God, zo zou Hij straks uitroepen, waarom hebt U Mij verlaten? Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe. Het ging over in een absolute scheiding. Want daar heeft Hij gedragen, wat de verdoemden in de hel eeuwig zullen dragen. Daar was de scheiding totaal. Daar was niets meer, wat God aan Zijn Zoon verbond. Daar heeft Hij een ogenblik de totale Godsverlating gedragen. Van God gescheiden, Zijn geliefde Vader, alles wat Hij had in de hemel en op aarde. In het bijzonder aan het eind van Zijn leven, in Gethsémané, op Golgotha, heeft Jezus de toorn van God tegen de zonde van het gehele menselijk geslacht gedragen. Hij moest dus Borg zijn voor anderen, anders kon de toorn van God niet tegen Hem ontstoken zijn. Want God is een rechtvaardige Rechter. Ja, Hij ging voor anderen, voor de Zijnen de dood in. Die toorn van God is een ondeelbare toorn, tegen de gehele wereld en al de zonden. Het is dus niet zo, dat Hij alleen de toorn tegen de zonden van de uitverkorenen gedragen heeft; maar de toorn tegen de zonden van het gehele menselijk geslacht. Dat betekent niet, dat het alle mensen ten goede zal komen. 't Zal alleen hen ten goede komen, die Hij van eeuwigheid verkoren heeft en die in de tijd door het geloof de toevlucht nemen tot het bloed van Jezus Christus. Maar, die toorn van God was niet te scheiden, een deel voor Zijn volk en een deel, die op de goddelozen zou blijven rusten. Het was die volle toorn, die op het gehele menselijke geslacht rustte. En onder die toorn heeft Christus zich nu gegeven voor degenen, van wie Hij wist, dat ze Hem door de Vader gegeven waren. Die komen zouden om zich te laten vergaderen onder Zijn vleugelen. Wanneer er nu maar één mens zalig geworden was, had Jezus diezelfde toorn en smart moeten dragen. En wanneer alle mensen zouden zalig worden, dan zou Hij ook dezelfde toorn en smarten hebben moeten dragen. Die toorn was ondeelbaar, die was vreselijk, het ging over tijdelijke en eeuwige straffen. Jezus heeft ook de drievoudige dood getorst. Scheiding van ziel en lichaam en van Gods gunst en zalige gemeenschap. Dan nog: Een eeuwig straflijden in de hel. De drievoudige dood ondergaan, opdat Hij met Zijn lijden als met het enige zoenoffer, ons naar lichaam en ziel van de eeuwige verdoemenis verlossen en Gods genade en eeuwige gerechtigheid verwerven zou. Zijn lijden is dus een zoenoffer, in onze plaats betaald.

Vrijspraak van schuld en aangenomen tot kinderen van God
Hiermee zijn dan ook veroordeeld die mensen, die zo licht spreken over hun lichaam, alsof dat er niet op aankomt, die zeggen, dat, wanneer ons lichaam gestorven is, het eigenlijk niets meer is. Ons gestorven lichaam blijft van Christus. 't Zal wel veranderd en vernieuwd worden. 't Zal naar Zijn evenbeeld hersteld worden, een heerlijk lichaam worden. Maar dat neemt niet weg, dat ons zondig lichaam, zoals we nu op aarde leven, door Christus gekocht is. Hij verzorgt ook dat lichaam met voedsel, deksel en kleding. Hij heeft met lichaam en ziel ons van de eeuwige verdoemenis verlost, voor tijd en eeuwigheid. Dus, als u nu God vraagt om genezing, of de Heere vraagt om voedsel, om deksel en kleding of een woonplaats, dan is dat volkomen verankerd in het recht, dat Christus verwierf, ook voor het lichaam. Dan mag u er achter vragen: om Jezus' wil! Verdoemd, dat is wegdoen, dat is een zwaar woord met een nog zwaardere betekenis, afgescheiden, nooit meer naar omzien en dat voor eeuwig. En daar verlost Christus nu van, door Zijn bitter lijden. Maar ook heeft voor ons Hij verworven de genadige aanneming tot kinderen van God. Niet alleen bevrijd van de straf, maar ook een recht verworven tot het eeuwige leven. Aangenomen door de genade van God, zodat de Vader ons gaat trekken, zodat we uit gaan zien naar Christus. Dat we door de bediening van de Geest aan de Heere verbonden zijn, dat is door Zijn genade. Gerechtigheid, dat wil zeggen: vrijspraak van schuld. Gerechtigheid, dat duidt de verhouding aan tot het recht van God. Wat door de zonde geschonden is, wordt hier door gerechtigheid hersteld. En het eeuwige leven, daar is ook bij inbegrepen het tijdelijke leven. Het eeuwige leven begint hier al in de wedergeboorte voor al Gods kinderen. Dan begint waar te worden: Zalig zijn de doden, die in de Heere sterven, van nu aan. (Openb.14:13) Wanneer we sterven aan de zonde, aan de wereld en de duivel, zoals de Heere tot Martha zei: Die in Mij gelooft zal leven, al was hij ook gestorven (Joh.11:25).

Jezus onschuldig veroordeeld in onze plaats
De onderwijzer vraagt verder: Waarom heeft Hij onder de rechter Pontius Pilatus geleden? En dan luidt het antwoord: Om ons, doordat Hij onschuldig onder de wereldlijke rechter veroordeeld werd, te bevrijden van het strenge oordeel van God, dat ons treffen zou. Hij moest dus onder de aardse rechter veroordeeld worden. Dan heeft dat "wereldlijke" niet de betekenis, die wij er wel eens aan hechten, bijvoorbeeld: dat is een wereldse man. Daar bedoelen we mee: die leeft in deze wereld en betoont van de wereld te zijn. Maar het wil hier zeggen: aardse rechter, die door God op aarde gesteld is. Want door Mij, zegt Hij, regeren de koningen en stellen de vorsten gerechtigheid (Spr.8:15). Hij, de Romeinse rechter, die geroepen was de Romeinse wetten te handhaven, hij heeft hier de onschuldige Jezus veroordeeld. En toch, wanneer we Jezus voor Pilatus zien staan, staat Hij daar voor God als een schuldige. God heft het vonnis niet op, dat Pilatus ten onrechte over Jezus geveld heeft, die Hem overgaf tot de kruisdood. Niemand treedt er tussen om dit goddeloze vonnis van Pilatus krachteloos te maken. En waarom? Wel, God zal door dit kromme recht van Pilatus, Zijn recht volvoeren. God wilde, dat op Hem de stromen zouden aanlopen. Dat Hij staan zou in de plaats van de Zijnen. Hier staat Jezus, het groene hout. Openlijk ten toon gesteld voor God en mensen als de grootste van de zondaren.

Jezus heeft de vloek, die op mij rustte, op Zich geladen
In vraag 39 wordt gevraagd: Heeft het een bijzondere betekenis dat Christus is gekruisigd en niet op een andere wijze is gestorven ? En dan luidt het antwoord: Ja, want daardoor ben ik zeker, dat Hij de vloek, die op mij rustte, op zich geladen heeft, want de dood aan het kruis was door God vervloekt. De Israëlieten kenden de kruisdood niet; zij kenden wel het hangen aan een hout. Dat was dan een dode, die reeds gestenigd was. Dat was tot meerdere schande. Voor de zon onderging, moest hij worden afgenomen, opdat het land zou rusten van de vloek. Zo is nu ook Jezus, als een vloek aan het kruis gehangen. Voor Hem was in de heilige stad Jeruzalem geen plaats. Hij moest buiten de gemeenschap van God, buiten de legerplaats, van God vervloekt aan een hout hangen. God had gezegd: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt. Het was een smadelijke, smartelijke en vervloekte dood, die door de Romeinen bij slaven werd toegepast. Zo is Jezus, als slaaf gestorven. Hij, de Zoon van God, heeft Zich vernederd, opdat Hij de diepst gezonkenen in Zijn bittere kruisdood zou kunnen opheffen. Opdat Hij de vloek, die op mij was, op Zich zou laden. Als het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegdraagt. Toen Hij ingedaald was in de dood, toen is het afbetaald, de rekening, die God met ons had, vereffend. Dat is op Golgotha gebeurd. Daar heeft God de kwitantie aan u en mij gegeven, dat Hij met Zijn volk tevreden is, dat Hij Jakobs gevangenen nu vrijmaakt. Hij gerechtvaardigd van de zonde en wij in Hem. Nu zal noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel, ons meer kunnen scheiden van de liefde van God, welke is in Christus Jezus, onze Heere (Rom.8:38-39). 't Is waar, die vloek had ik moeten dragen, die ben ik waardig, maar ik hoop ook niet op mijn gerechtigheid, 'k zie niet uit naar mijn werkzaamheden, maar alleen naar het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt.


















 


a

LOGO






Sola Scriptura