Logo
Oleh-Dara-Nya

 

        

 


 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

En als zij alles volbracht hadden, wat van Hem geschreven was, namen zij Hem af van het hout, en legden Hem in het graf. Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt.   (Handelingen 13:29-30)

Antwoord 40:
  Gen. 2:17; Rom. 8:3, 4; Fil. 2:8; Hebr. 2:9, 14, 15.

Antwoord 41:  Mat. 27:59, 60; Luk. 23:53; Joh. 19:40-42; Hand. 13:29; 1 Kor. 15:3, 4.

Antwoord 42:  Mar. 8:37; Joh. 5:24; Rom. 7:24, 25; Fil. 1:23.

Antwoord 43:  Rom 6:6; Rom 6:8, 11, 12; Rom. 12:1.

Antwoord 44:  Jes. 53:5; Mat. 26:38; 27:46; Hebr. 5:7.


En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij
Zichzelf vernederd


Deze 16e Zondag spreekt ons hoofdzakelijk van het sterven van Christus

Drie hoofdthema's in deze bespreking
1.
 De noodzakelijkheid van het sterven
2.  De zekerheid van het sterven
3.  De troost uit dit sterven

Inleiding
Deze Zondag bevat veel sombere woorden, in de dood vernederd, begraven en dat ook wij moeten sterven. We lezen van de offerande, en de dood van Christus aan het kruis en van neergedaald in de hel. En toch, wanneer we het samen gaan doornemen, bij het licht van de Geest van God, dan is er geen heerlijker Zondag in heel de Catechismus en geen groter troost in het leven van een doodwaardig volk, dan het lijden en sterven en het begraven worden en neerdalen ter helle, van onze Borg en Zaligmaker Jezus Christus, omdat Hij het plaatsbekledend deed. Nu zullen we bespreken, of het werkelijk nodig was, dat Hij zich zo diep moest vernederen.

Christus was benauwd om te sterven en beangst in Zijn ziel
De dood is ook voor ons een verschrikking, zelfs voor Gods kinderen is het de laatste vijand, die teniet gedaan wordt. Altijd blijft de dood een afgrijselijke verschrikking, ook al is de prikkel uit de dood weggenomen. Ook al weten we, dat de dood ons geen kwaad meer kan doen, dat het slechts een poort is, waardoor we ingaan in het eeuwig zalig leven. Het blijft op zichzelf een verschrikking en vooral ook voor mensen, die het leven niet kennen, mensen, die nog dood zijn in zonden en misdaden. Maar ook voor het volk van God, dat het leven aanvankelijk verkregen heeft, dat de "dood" echter nog mee omdraagt. Wat moet de dood dan wel geweest zijn voor Hem, Die het leven zelf is, Die enkel leven is. We zien het in Gethsémané, hoe de dood op Hem aankwam en Hij de dood tegemoet trad. Denk niet, dat het voor Christus niets geweest is. Laten we niet denken, dat het lijden van Christus niet zo erg geweest is, omdat Hij met Zijn godheid overwinnen kon en omdat Hij wist, dat achter de dood het leven was. Dan doen wij tekort aan Zijn ware menselijke natuur. Want, toen Christus op de dood aantrad in de hof van Gethsémané, toen begon Hij droevig en zeer beangst te worden. Christus was benauwd om te sterven, beangst was Hij in Zijn ziel. Hij bad de Vader, of het toch mogelijk was, de drinkbeker van Hem te laten voorbijgaan, maar in onderwerping aan de wil van de Vader. De dood was voor Christus geheel anders dan voor degenen, voor wie Hij de dood is ingegaan. Want de dood was voor Christus de hel, waarin Hij gevangen werd. Het was de wraak van God over onze zonden en daarom was de dood Hem zo bitter. Dat is het voor ons niet meer. Voor Gods kinderen is de dood de doorgang tot het eeuwige leven. Maar voor Christus de doorgang tot de eeuwige nacht. Daarom was die dood voor Hem zo bitter. Waarom moest dat dan? Waarom moest Hij zich dan zo diep vernederen? Ja, vanwege de gerechtigheid en waarheid Gods, moest Hij zo smartelijk en laag afdalen. Zijn sterfbed was een houten kruis en die Hem omringden waren spotters en dobbelaars, die het op Zijn leven gemunt hadden, die Zijn kleren onder zich verdeelden. In het midden van zulke mensen moest Hij de dood tegemoet treden en in die nare grafkuil indalen. Temidden van hen moest Hij sterven, vanwege de gerechtigheid en waarheid Gods. Gods recht vorderde het. Want God is rechtvaardig!

Degenen die in Hem ontslapen zijn,
zullen eenmaal oprijzen uit het stof van de dood

In vraag 41 wordt gevraagd: Waarom is Christus begraven? Hij is in het stof gelegd, om daarmee te betuigen, dat Hij werkelijk gestorven was. Het bewijs van Jezus dood weten we al uit het getuigenis van Johannes, dat er bloed en water uit Zijn zijde gekomen is, door het getuigenis van Pilatus, dat Hij gestorven was. We hebben een bewijs van God Zelf, want God heeft het in de tempel betoond door het scheuren van het voorhangsel. Toen Jezus op Golgotha uitriep: "Het is volbracht"; was er aan de gerechtigheid en waarheid Gods genoeg gedaan. Christus behoefde dus, ter verdere afbetaling voor onze zonden, niet in het graf gelegd te worden. Maar het heeft God behaagd, om Hem al de trappen van de vernedering te doen passeren, om Hem ook in het graf neer te leggen, om daarmee te bewijzen, dat Hij het graf voor ons geheiligd heeft. Daar Hij echter niet in het graf zou blijven, zullen ook zij, die in Hem geloven, niet in het graf blijven, maar zo waarachtig als Hij uit het graf is opgestaan, staan ook zij eenmaal met Hem op uit het graf. Hier openbaart zich een bron van troost, die wij niet gehad zouden hebben, indien Christus niet in het graf geweest was. Hij is het graf ingegaan, om waar te maken, wat de Vader gedreigd had als straf op de zonde: Ten dage als u daarvan eet, zult u de dood sterven. Stof zijt ge en tot stof zult ge wederkeren (Gen.2:17). Het begraven worden is een schande. Zeker, het niet begraven worden is een grotere schande. God heeft op verschillende plaatsen in het Woord Zijn ongenoegen over mensen zo kenbaar gemaakt, dat Hij ze zelfs geen begrafenis geven wil, dat hun lichamen geworpen zullen worden als mest op het veld. Dat was een straf bij de straf. Het begraven worden getuigt van onze zonden en van de breuk, die er geslagen is tussen God en onze ziel. Nu, omdat Christus ons voorgegaan is, is ons graf geen donkere kuil meer, waarin we neer zullen storten. Het graf is een akker geworden. We noemen het wel de dodenakker. Dit is voor Gods kind waar. Dan is het graf geen graf meer. Omdat Christus uit de dodenakker verrezen is, zullen ook, die in Hem ontslapen zijn, als een tarwegraan eenmaal oprijzen uit het stof van de dood.

De dood is een afsterven van de zonden en een doorgang tot het
eeuwige leven

Nu zullen we de volgende vraag behandelen, vraag 42: Nu Christus voor ons gestorven is, hoe komt het, dat wij ook moeten sterven? Hoe is dat nu te rijmen, met hetgeen Jezus tot Martha gesproken heeft: Die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven. Gelooft gij dat (Joh.11:25 en 26)? Het is heel eenvoudig. Het antwoord zegt: Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterven van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven. De onderwijzer geeft hierop geen antwoord. Hij zegt niet waarom wij ook nog sterven moeten. Nee, dat weet hij niet. Rechtmatig is de daad niet meer nodig voor al degenen, die in Christus zijn ingeplant door het waarachtig geloof, in de wedergeboorte. Daar is de dood niet meer voor nodig. Zie het maar bij Elia en bij Henoch en zij die straks nog zullen leven met de wederkomst van Jezus Christus. Zij zullen in een punt des tijds veranderd worden. Het verderfelijke zal onverderfelijkheid aandoen en het sterfelijke zal onsterfelijkheid aandoen (1 Kor.15:54). Zij zullen dus niet sterven. Als het met Gods gerechtigheid overeenkomt, dat zij niet sterven, dan behoeven wij ook niet te sterven. God is geen God van ja en nee, die iets voor de een noodzakelijk keurt en voor de ander niet. Er moet dus een andere oorzaak zijn. Wat dat is, dat weten we niet. Daar heeft God een sluier voor gehangen. We weten niet, waarom we niet zo in de wolken mogen worden opgenomen, waarom we dat nare graf moeten passeren. Maar dit weten we wel, dat onze dood in ieder geval geen betaling is, omdat God onze dood niet conform het recht eist. Onze dood moet een andere bedoeling hebben. De onderwijzer zegt er iets van: het is een afsterven van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.Het karakter van de dood is veranderd. De prikkel van de dood is weg. De dood is geen straf meer. Wanneer u nu, door het geloof in de gemeenschap met God mag leven, of dat nu een zwak of een sterk geloof is, dan hebt u geen angst voor de dood. Wanneer de oefening van het geloof in een kind van God aanwezig is, dan is het kleinste en teerste plantje in het leven der genade even ver als de sterk gewortelde eikeboom, die veel oefeningen en veel licht ontvangen heeft in de kennis van de waarheid. het is wel waar, dat onze dood geen betaling meer is, maar het is toch even waar dat het de laatste vijand is, die teniet gedaan moet worden. Dat het een verschrikking is, die toch om onze zonden gekomen is. Want waren er geen zonden, dan was er ook geen dood. De Catechismus leert: het is een afsterven van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.

De oude mens wordt met Hem gekruisigd, gedood en begraven
Dan vraagt de onderwijzer in vraag 43: Wat is voor ons nog meer de waarde van het offer en de dood van Christus aan het kruis? Ligt er nog meer in, dat Jezus zo diep vernederd is? Ja, dan betrekt hij die dood van Christus niet alleen op ons sterven, dat we niet alleen zouden hopen en verwachten, dat het straks goed zal worden, wanneer we de laatste adem uitblazen, maar Hij zegt ook, dat door Zijn kracht onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt. Opdat de boze lusten van het vlees niet meer in ons regeren, maar dat we onszelf Hem tot een offerande der dankbaarheid opofferen. Dus, die dood van Christus heeft niet alleen een nuttigheid voor ons sterven, maar is ook nuttig voor ons leven, namelijk in het leven van de heiligmaking. Door Christus' kracht, die van het kruis uitgaat en van dat met doornen gekroonde hoofd, door die kracht wordt onze oude mens gekruisigd. Als God ons genade verleent, dan worden we vernieuwd in alle delen, maar nog niet in volmaakte trap. Wel wordt alles, wat in ons is, vernieuwd, maar nog niet volkomen. U weet ook wel, dat we dan onszelf ook na ontvangen genade, niet vernieuwen kunnen. Dat leven van heiligmaking, is enkel maar de vrucht van de verdienste en genoegdoening van het kruis van Jezus Christus. Dan wordt u een getuige van Jezus Christus. De oude mens begraven, en met Hem gekruisigd, dan regeren de boze lusten van het vlees niet meer. De onderwijzer zegt niet, dat ze voorgoed weg zijn. Dat gebeurt straks, als we sterven; maar ze regeren niet meer. Als ik met een gebroken oog op die verhoogde slang zie, dan regeren de boze lusten niet meer. Dan heeft de zonde mij niet meer. Dan zijn ze nog wel in me, maar dan liggen ze onder en dan mag ik ze er onder houden, door de kracht, die van het kruis uitgaat.

Christus neergedaald in de hel, dat is in de totale scheiding van God
Nog iets over de laatste vraag: Waarom volgt daarop: neergedaald in de hel ? En dan luidt het antwoord: Daardoor mag ik mijn felste aanvechtingen er zeker van zijn en er rijke troost uit putten, dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling waarin Hij gedurende heel zijn lijden, maar vooral aan het kruis, heeft geleden, mij van de helse angst en pijn verlost heeft. Hier zien we Hem dus "neergedaald in de hel". Dit staat aan het eind, om hiermee te openbaren, dat dit de allerergste vernedering was. Dat wil niet zeggen, dat het na Zijn sterven gebeurd is. Maar in trappen heeft hier de onderwijzer Zijn diepe vernedering uitbeeld en dit aan het eind gezet. Neergedaald in de hel, dat was het allerergste. Wanneer dat gebeurd is ? Vóór Zijn sterven in Gethsémané's hof en in het bijzonder aan het kruis. Toen is Christus neergedaald in de hel, dat is de totale scheiding van God, waar er niets van God op te merken valt en we het gevoel hebben eeuwig van God gescheiden te zijn. Dan mag ik me verzekerd weten, zegt hij en er rijke troost uit putten. Er staat niet: geheel vertroost worden, nee, er rijke troost uit putten. Hier is de christen dus actief. Hier is hij bezig, door de werking van de Geest, om uit te gaan, om dat lijden en die hellevaart van Christus te zien. Om daarmee gelovig bezig te zijn. Niet wachten, tot het God in de hemel behaagt, om u daarmee te komen vertroosten. Nee, dat zegt hij niet. Opdat ik in mijn hoogste aanvechting verzekerd ben, en er rijke troost uit mag putten. Daarop ziende, wil hij zeggen, dat Hij nu in de hel is neergedaald. Zie daar houdt de onderwijzer zich van verzekerd. Welnu zegt hij, als ik nu zo op Hem zie, dan troost ik mij daarmee. Als er dan een rechtvaardig God in de hemel is, dan kan ik in de hel niet komen. En waarom niet? Omdat Jezus onschuldig was. Dat onderteken ik met mijn bloed, dat Hij geen zonde gedaan heeft. Als ik dan in Hem geloof, dan moet Hij het voor mij gedaan hebben! Zo vertroost die christen zich door die levende hoop, om straks aan het eind van de baan de uitkomst te mogen zien. Hier houdt hij zich getroost door het geloof. En door de hoop die in zijn hart is. Straks zal hij het zien. Wanneer Jezus bij Zijn sterven hun ontvalt, dan willen zij ook met de wereld niet meer te doen hebben. Dat is een totale breuk in hun leven. Maar, als ze dan alles verliezen, vinden ze alles terug op Paasmorgen, wanneer ze Hem als hun opgestane Koning leren kennen, Die voor hen het graf is ingegaan, opdat ze in Hem het leven zouden hebben, verzadiging van vreugde en de liefelijkheden van het zalig hemelleven, (Ps.16:11) tot in aller eeuwen eeuwigheid.



















 


a

LOGO






Sola Scriptura