Logo
Oleh-Dara-Nya

 

        

 


 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

En als Christus niet is opgewekt, dan is onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof. En dan blijken wij ook valse getuigen van God te zijn. Wij hebben namelijk van God getuigd dat Hij Christus heeft opgewekt, terwijl Hij Die niet heeft opgewekt als inderdaad de doden niet opgewekt worden. Immers, als de doden niet opgewekt worden, is ook Christus niet opgewekt. En als Christus niet is opgewekt, is uw geloof zinloos; u bent dan nog in uw zonden. Dan zijn ook zij die in Christus ontslapen zijn, verloren. Als wij alleen voor dit leven op Christus onze hoop gevestigd hebben, zijn wij de meest beklagenswaardige van alle mensen. Maar nu, Christus ís opgewekt uit de doden en is de Eersteling geworden van hen die ontslapen zijn. Want omdat de dood er is door één mens, is ook de opstanding van de doden er door één Mens. Want zoals allen in Adam sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. Ieder echter in zijn eigen orde: Christus als Eersteling, daarna wie van Christus zijn, bij Zijn komst. Daarna komt het einde, wanneer Hij het koningschap aan God en de Vader heeft overgegeven, wanneer Hij alle heerschappij en alle macht en kracht heeft tenietgedaan. Want Hij moet Koning zijn, totdat Hij alle vijanden onder Zijn voeten heeft gelegd. De laatste vijand die teniet gedaan wordt, is de dood. (1 Korinthe 15:14-26).

Antwoord 45: 

Rom. 4:25; 1 Kor. 15:16-18; 1 Petr. 1:3; Rom. 6:4; Kol. 3:1-3; Ef. 2:4-6; Rom. 8:11; 1 Kor. 15:20-22.


Deze afdeling handelt over: Het nut van de opstanding van Christus


Drie hoofdthema's in deze bespreking
1.
 Als onze rechtvaardiging voor God
2.  Als bron van een nieuw leven
3.  Als waarborg voor onze eeuwige zaligheid

Inleiding
De vorige drie Zondagen hebben wij besproken de trappen van Christus' vernedering. In de drie volgende Zondagen, 17, 18 en 19, zien we Christus in de trappen van Zijn verhoging, als de Vrijgesprokene door het recht van God. Er zijn twee verhoudingen, ten opzichte van het recht van God, schuldig- òf vrijverklaard. In deze zondagsafdeling gaat het over het nut van van de opstanding van Christus. Hier gaat de onderwijzer dus verder. Met de verhoging van Christus wordt de buit uitgedeeld, die Hij in de vernedering, in Zijn bittere strijd verdiend had. Nu gaat Hij, als de verhoogde Christus, aan Zijn wederhorig kroost uitdelen, wederhorige kinderen, die van dood door de Geest zijn levendgemaakt. U kent de trappen van verhoging wel: de opstanding, de hemelvaart, het zitten aan de rechterhand Gods en straks Zijn wederkomst. Het meeste is al geschied. Drie trappen zijn er door Hem betreden, de laatste wacht nog: Zijn wederkomst ten oordeel. Het grote heilsfeit, waarnaar de kerk nog uitziet.

Hij heeft door Zijn dood en opstanding de dood overwonnen
De onderwijzer gaat ons niet vermoeien met allerlei bewijzen bij te brengen, dat Jezus werkelijk opgestaan is. Hij gaat er van uit, dat het zo is. Hij vraagt: wat nut ons de opstanding? Het is een vaststaand feit, daarover gaan we niet redeneren, daar zijn de bewijzen te veelvuldig voor. Maar, wat heb ik daar nu eigenlijk aan, dat eenmaal in de stille hof engelen kwamen, die de steen van het graf hebben weggewenteld? Dat de Zoon van God uit de doden opstond en Hij zich heerlijk betoonde de Overwinnaar te zijn van dood en graf? Wel, in de eerste plaats: Hij heeft door Zijn dood en opstanding de dood overwonnen! Die koning der verschrikking. Ieder mens haakt naar het leven. De satan, hoewel hij een leugenaar is en ook hierin gelogen heeft, heeft eenmaal gezegd: Huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven. (Job 2:4). Daarin is hij ook een leugenaar, want dat is nìet waar. Christus heeft Zijn leven niet liefgehad en ook de martelaren hebben hun leven niet liefgehad tot de dood toe en al Gods kinderen, wanneer ze door Gods genade buigen onder het recht van God, hebben hun leven niet lief tot de dood toe. De satan is altijd een leugenaar; maar toch is er een drang in het hart van elk mens naar het leven. Zelfs het redeloos dier vecht voor zijn leven, dat heeft God zo geschapen. Er kan een ziekelijke zucht zijn tot de dood. Ook wel in het hart van Gods kinderen, wanneer ze de strijd niet meer aankunnen en de tegenheden zo groot worden, dat ze zeggen: Ach Heere, laat me maar sterven, geef me maar een beetje liefde in mijn hart en neem me dan maar weg. Maar, dat is niet de rechte begeerte om ontbonden te zijn en met Christus te zijn. Dat is een onverenigd zijn met de weg die God met ons houdt. Dat is ten diepste eigenlijk ongeloof. We vertrouwen het dan niet verder aan God toe. Doch er kan ook een recht verlangen zijn om bij Christus te mogen zijn, maar dan is het kenmerk daarvan de totale onderwerping aan de wil van God. Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede! Zoals de apostel wel wenste ontbonden te zijn en met Christus te zijn. Maar, zegt hij, om uwentwil is het nuttiger dat ik blijf, Gods wil geschiede.

Wij sterven niet meer, wij ontslapen
Toen Christus betaald had, bleef er geen overtreding meer over en kon God niet anders dan Zich met Zijn volk verzoenen, en zou Sion weer opstaan uit het graf van de zonde. De dood van Christus was niet iets wat Hij onderging, maar: wat Hij deed. Het was een daad. Jezus gaf Zijn ziel in de hand van Zijn Vader. Dat is bij ons geheel anders. Onze dood is geen daad van ons, want wij ondergaan de dood, wij geven ons leven niet in de dood, maar wij moeten het afleggen. Het wordt ons afgenomen. Christus heeft Zijn leven gegeven. Hij gaf het in de hand van Zijn Vader over. Hij is gestorven, maar ook opgestaan en in die opstanding heeft Hij de dood overwonnen, opdat Hij ons de gerechtigheid, die Hij door Zijn dood verwierf, kan deelachtig maken. Hij stierf niet voor Zichzelf en stond niet op voor Zichzelf. Hij deed het in de plaats van de Zijnen. Wij gingen dus in Hem de dood in. Wij zijn met Hem aan het kruis geslagen. Wij zijn met Hem in de hel geweest, maar we zijn ook met Hem opgestaan. We hebben het leven verkregen in de Middelaar van God en der mensen. Ja, zegt u, daar begrijp ik niets van, dat is duister voor mij, want als Jezus nu opgestaan is, waarom moeten wij dan ook nog sterven? Wie redt zijn ziel van het graf ? is het lot van de mensenkinderen niet één? Delen we allen niet in het graf? Bedenk, dat de dood van Gods kinderen geen betaling is, geen straf meer. Het is slechts de schaduw van de dood, welke we onderworpen zijn. Want zegt de apostel niet, in 1 Thessalonicensen 4:14; Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen die ontslapen zijn, in Jezus weder brengen met Hem. Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, dan zal God ook degenen, die ontslapen zijn in Jezus, weer doen opstaan. Wij sterven niet meer, wij ontslapen. De rust van Gods kinderen in het graf is ook door Christus verworven.

In de wedergeboorte vindt een staatsverwisseling plaats
Christus schenkt ons het leven, want wij worden door Zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven. Dat is dus het nut van de opstanding van Christus: dat wij ook opstaan. Ja, niet straks, niet alleen straks, wanneer Jezus komt op de wolken des hemels. Nee, willen wij díe opstanding van de doden kunnen verwachten, dan is het noodzakelijk, dat we hier al met Hem opgestaan zijn uit het graf van de zonde. In de tweede plaats, zegt de onderwijzer, worden ook wij door Zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven. Wanneer doet de Heere dat? Dat doet Hij in de wedergeboorte, wanneer God Zijn Geest uitzendt, Die in ons hart indaalt, in dat uur der minne. Een blijk van Gods welbehagen, wanneer Hij langs ons voorbij gaat, gelijk eenmaal langs het kind, dat geworpen was op het vlakke van het veld en dat vertreden was in het geboortebloed tot een afschuw en een gruwel voor ieder die het voorbijging. Zo gaat God dan ook ons voorbij en in het voorbijgaan komt Hij tot ons en spreekt tot ons: Leef, ja leef, en die zo Zijn stem gehoord hebben, die zullen leven. Kom, zegt u, verklaar dat eens wat duidelijker. Want de Heere roept toch niet van de hemel: Leef? We hebben Zijn stem nog nooit gehoord. Hoe kan ik dat dan weten of ik ook met Hem ben opgewekt tot een nieuw leven? Er staan in Gods Woord heel duidelijke kenmerken, waaraan we weten kunnen, of we ook het nieuwe leven deelachtig zijn, of we met Christus zijn opgewekt. Want, wanneer die Heilige Geest in ons wonen komt in het uur van de wedergeboorte, dan maakt Hij ons Christus met al Zijn weldaden deelachtig. Dat gebeurt in de levendmaking. Dan komen we rein en vlekkeloos voor een heilig God te staan. Dat wil niet zeggen, dat we dadelijk kunnen roemen en verblijd zijn in de verlossing, die ons deelachtig geworden is. Maar, in feite heeft daar een staatsverwisseling plaats. Daar komen we uit de dood in het leven. Uit de duisternis in het licht. Dan worden we van kinderen des toorns, medeburgers der heiligen en huisgenoten van God. Er kan geen groter wonder in ons leven gebeuren, dan van dood levend gemaakt te worden. Wanneer dat is gebeurd, dan zal God ons verder alle dingen, met Christus, schenken. Waar Hij Zijn Zoon u gegeven heeft en geeft in het uur van de wedergeboorte, dan heeft Hij u ook daarmee het eeuwige leven gegeven, wat Hij Zijn Zoon gegeven heeft als loon op Zijn Middelaars arbeid.

In de rechtvaardigmaking verandert onze staat,
in de heiligmaking beleven we, wat Christus ín ons doet

Wanneer de Heilige Geest ons geschonken wordt, komt er dadelijk een kennen van onszelf. Waar die Geest ons verstand verlicht en ons de duisternis doet zien, die in ons is, ontdekt dat licht ook God aan ons, zoals Hij is in Zijn heilige deugden en in Zijn dienenswaardigheid (Zijn waardigheid om Hem te dienen), in Zijn vlekkeloze heiligheid en in Zijn goddelijke rechtvaardigheid. God ontdekt Zich aan ons, zoals Hij is. Ook als een vriendelijk Vader en een trouwe God, Die over ons Zijn lankmoedigheid geopenbaard heeft vanaf het uur van onze geboorte. Dan schenkt God ons ook het geloof om het Woord van God te gaan geloven, dat Hij niet alleen toornen zal over doodslagers, hoereerders en dieven, maar ook om te geloven, dat er een weg van ontkoming bij God is. We geloven, dat er bij Hem vriendelijke ogen en milde handen zijn. Zie, dat zijn de eerste tekenen van dat vernieuwde leven. Die opstanding van Christus is ook de bron van het nieuwe leven, dat tegenover het oude leven staat. Het oude leven heeft de zonde en de wereld lief. Wanneer we door de Heilige Geest zijn opgewekt en vernieuwd, dan gaan we willen wat God wil; dan krijgen we lust om in al de geboden van de Heere te wandelen. Niet alleen tot rechtvaardigmaking, maar ook tot heiligmaking, is Christus gegeven. Die vernieuwing van het levens is ook een gave van God. Zoals de rechtvaardigmaking een gave is, zo is ook de heiligmaking een gave. Met dit verschil, dat de rechtvaardigmaking plaats heeft buiten ons, de heiligmaking heeft plaats in ons. In de rechtvaardigmaking veranderen we niet van binnen. Dat gebeurt in de heiligmaking, dat heeft in ons binnenste plaats. In de rechtvaardigmaking verandert onze staat en gaan we dus over vanuit de dood in het leven. Onze rechtsverhouding met God verandert! In de rechtvaardigmaking zien we, wat Christus vóór ons gedaan heeft en in de heiligmaking beleven we, wat Christus ín ons doet. Hij gaat ons namelijk vernieuwen van dag tot dag. Want het is onmogelijk, dat iemand die de vergeving van zijn zonden heeft ontvangen, dat deze nog zijn vorige oude leven blijft leven. Calvijn zegt: Die de rechtvaardigmaking van de heiligmaking afscheidt, die scheurt het lichaam van Christus in tweeën. Het is onmogelijk verzoening van de zonden ontvangen te hebben in de staatsverwisseling bij God, en het niet te openbaren in een nieuw leven.

We hebben een pand van Christus ontvangen
In de derde plaats is ons de opstanding van Christus een zeker pand van onze zalige opstanding. De opstanding van Christus, is dus een waarborg van onze eeuwige zaligheid, niet alleen van de rechtvaardigmaking en heiligmaking, maar ook van de heerlijkmaking, het eeuwig bij de Heere zijn. Die opgestaan is uit de zonde, die zal ook eenmaal opstaan met Christus in een nieuw leven. De onderwijzer spreekt van een pand. Wij hebben een pand, in de opstanding van Jezus Christus en het is de Geest van Jezus Christus, Die in ons woont en Die getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn. Dit is het pand: dat we straks aan het lichaam van Christus gelijkvormig zullen zijn. We zullen allen aan het lichaam van Christus gelijk zijn en de hemelzalen mogen doorwandelen. Dat weten we zeker, want we hebben een pand van Christus ontvangen. Voor degenen in wie hun hart de hoop op God geschonken is, die door de opstanding van Jezus Christus uit de doodstaat zijn opgewekt. Laten we ons geluk toch beseffen en er maar steeds bij stil staan, dat het God behaagd heeft om naar ons om te zien, die toch naar Hem niet omzag. Overdenk steeds de dure prijs, die het God gekost heeft. Laten we gedurig overdenken aan hetgeen Hij gedaan heeft, opdat we in een leven van heiligmaking, ons in Zijn dienst mogen overgeven. Elke dag meer sterven, maar ook elke dag opstaan en in leer en leven op Hem hopen. Ons geheel en al aan Hem toebetrouwen. De albasten fles van ons hart voor Hem breken en ons gehele leven in Zijn schoot uitstorten. Zo zullen we getroost leven en zalig sterven en straks met Christus opstaan.



                        
















 


a

LOGO






Sola Scriptura