Logo
Oleh-Dara-Nya

 

        

 


 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Antwoord 3.Rom. 3:20

Antwoord 4.
Deut. 6:5; Lev. 19:18; Mar. 12:30, 31; Luc. 10:27

Antwoord 5.  Rom. 3:10, 20, 23; 1 Joh. 1:8, 10; Gen. 6:5; 8:21; Jer. 17:9; Rom. 7:23; 8:7;
Ef. 2:3; Tit. 3:3

De mens onbekwaam tot enig goed

De aard, het middel en het nut van deze kennis
Daar is geen mens op deze wereld, of hij heeft kennis van ellende. Je behoeft de krant maar op te slaan en een wereld van ellende vertoont zich aan het oog. Daar is geen plaats, geen stad, geen land, geen volk, geen geslacht of het weet wat ellende is. En toch, als hier gesproken wordt over uw ellende, dan bedoelt de onderwijzer iets anders dan datgene wat je hoort en leest. Als de onderwijzer hier zegt: Waaruit kent gij uw ellende, dan doelt hij niet in de eerste plaats op de gevolgen van de zonde, zoals eenzaamheid, ziekten, rouw, honger, twist en alle ellende meer. omdat wij allen van nature het juiste verstand missen om te zien wat eigenlijk ellende is, missen we ook de weg om van de ellende verlost te worden. Zolang we in onze onbekeerde staat zonder de verlichting van de Heilige Geest voortleven, denken we toch nog een juiste kennis te hebben van het verkeerde dat in ons is. En zeggen we ook vaak in onze onbekeerde staat: Kijk, ik weet heus wel wat er aan mij mankeert. Ik wou dat ik niet zoveel wist, dan zou ik gemakkelijker bekeerd kunnen worden dan nu. Want ik weet precies wat er met me gebeuren moet. Ik vraag me af of dat wel waar is. Ik geloof het niet. Ik geloof ten diepste dat elk mens die God niet dient, ook het juiste inzicht in zijn ellende mist. ’t Is niet alleen dat u niet weet verlost te zijn. 't Is niet alleen dat u de weg naar Jezus niet kunt vinden, maar u weet zelfs niet wie u bent in uw ellende voor God. Heeft één van onze vaderen niet gezegd dat het de grootste ellende van de mens is, dat hij z'n ellende niet kent? Ook om onze ellende te kennen, hebben we genade van God nodig; hebben we een verlicht verstand nodig; hebben we een nieuw hart nodig.

Uitlandig
Ellendig, dat wil zeggen, niet meer in het land zijn, waar we behoorden te zijn. Niet meer in de relatie met God staan waarin God ons geschapen heeft. Immers, we hebben allen het Paradijs moeten verlaten, en we zijn allen door de zonde de gemeenschap met God kwijt geraakt. En dat is ten diepste de ellende van u en van mij. De kennis van de ellende schuilt niet in het een of ander stelsel, maar de kennis van de ellende ligt hierin dat we God verlaten hebben. De kennis van onze ellende is door de wet, die we geschonden hebben. Wie wil er nog weten van een Adam? Wie wil er nog weten van een totaal wandelen op dood spoor? Wie houdt er rekening mee in zijn leven? En toch, het is zo. God heeft het ons in Zijn Woord geopenbaard. De verbreking van de wet is de dood. Die tegen Mij zondigt, die doet zijn ziel geweld aan, zegt God. Allen die Mij haten, hebben de dood lief. Dat is het. De mens moet zijn eigen baas kunnen zijn en kunnen leven naar het verlangen van zijn eigen hart. Tot in het vulgaire, tot in het heidens zondigen toe. Alles wat goed is, wat de mens meent dat goed is, dat mag hij doen, dat moet hij doen. Men moet hem geen beletsel in de weg leggen, men moet z'n pad niet kruisen met de eis van Gods wet. Dat schaadt de mondigheid van de mens en de rijke ontplooiing van de geest des mensen. God zegt in Zijn Woord: Zij hebben des HEEREN Woord verworpen, wat wijsheid zouden zij dan hebben (Jer.8:9)? Hij roept bij monde van de profeet het volk terug tot de wet en tot Gods getuigenis. Dat geldt voor alle eeuwen, geliefden. Dat geldt ook voor ons persoonlijk. Want al zijn we leden van een gemeente en al weten we verstandelijk dat we zondaren zijn voor God, dan zijn we toch nog van die mensen die op een zinkend schip kunnen slapen en in een brandend huis vrolijk kunnen zijn. Die al met al, het leven toch niet zo beroerd vinden. Dat komt, omdat ook ons van nature het juiste inzicht in onze ellende ontbreekt. Dit juiste inzicht verkrijgen we alleen, wanneer we door Gods Geest bearbeid worden, wanneer we wedergeboren worden, wanneer de Heilige Geest bezit neemt van ons leven. Dan krijgen we een juiste kennis van de ellende uit de wet van God.

Kennis gewerkt door de heilige geest
Een kennis van de Heilige Geest, opdat we onze ellende juist en grondig zouden zien en daarover zouden treuren. Die kennis laat God ons leren uit Zijn heilige wet. Die wet is als eenspiegel, als een licht, waarin we zien moeten en zien mogen wie we zijn. Als een licht, dat de zonde, de duisternis, de verdorvenheid van ons hart openbaart. Daarom geeft God ons Zijn heilige wet, en Hij wil, dat we die wet zullen kennen en dat we die wet zullen horen en dat we in die spiegel van de wet ons schuldig zullen weten. Deze kennis wil Hij, en deze kennis werkt Hij ook. Die wet die eist, zegt het antwoord, twee dingen. Volmaakte liefde tot God en volmaakte liefde tot onze naaste. En wat die wet eist, dat leert ons Christus in deze hoofdsom. al zouden de mensen van ons weten dat we bijzonder milddadige, barmhartige en zachtmoedige mensen zijn, daarmee is de wet van God niet tevreden. Want de wet van God wil in alle delen volmaakte gehoorzaamheid en gelijkvormigheid aan God, aan Zijn wet. De wet is geestelijk.

Uw naaste liefhebben
God vraagt niet alleen: Hebt u dit gedaan en bent u dat niet vergeten en heeft u daar erg in gehad, maar God vraagt in de eerste plaats: Hebt u uw hart aan Mij gegeven? En Mij lief gehad boven die die je op aarde het meest lief hebt, alles wat je op de wereld hebt. Dat eist God. En dan staat er: Met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand en met geheel uw kracht. God liefhebben, dat sluit in: God kennen, God op zodanige manier kennen, dat we Hem hoogschatten en dat we verlangen Hem lief te hebben boven alles wat in de hemel en op de aarde is. Dat eist de wet en zij eist het volmaakt. Want als je aan één van de geboden schuldig staat, dan sta je aan al de geboden schuldig. Hoe zullen wij, die van nature God en onze naaste haten, enig geluk aan onze naaste kunnen toebrengen, waar ons hart vervreemd is van het leven dat uit God is? In de eerste plaats moeten we God weer leren kennen. Vanuit die kennis van God gaan we ook weer het schepsel dat uit Gods hand is voortgekomen liefhebben en nooit andersom. Vanuit de verzoening met God. Dan zullen we onze naaste ook lief krijgen, want als we God lief krijgen, dan krijgen we ook onze broeders lief. Als we zelf als de grootste der zondaren genade van God ontvangen hebben, dan kan het ook voor die andere zondaar. Maar je naaste liefhebben, dat is hem liefhebben om Gods wil, omdat hij Gods schepsel is. Uw medeschepsel. Dat eist nu de wet en dat onder alle omstandigheden. Het voordeel van uw naaste zoeken, daar waar het kan en mag. Liefhebben met een volkomen hart. Dat eist de wet. En, zegt de Heere, aan deze twee geboden, God en de naaste liefhebben, daaraanhangt de ganse wet en de profeten.

Het werk van Christus
Dan vraagt tenslotte de onderwijzer: Kunt u dit alles volkomen houden? Dan is het antwoord een grote en diepe teleurstelling: Neen ik, want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten. Dat is een droevig antwoord. Dat is een desillusie. Hier breekt alle menselijke pogen stuk en toch, dit is de poort naar de verlossing. Deze bekentenis opent de weg naar het eeuwig Evangelie. Geliefden, tot deze uitspraak is de onderwijzer gekomen, niet door de wet zelf, want de wet zelf doet ons niet buigen. De wet is wel de spiegel die onze zonden aanwijst. De wet is wel het licht, waarin we de vuilheid van ons leven kennen, maar de wet zelf brengt ons niet tot de belijdenis: Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen. Tot die bekentenis brengt Christus ons. Alleen God door Zijn Heilige Geest, door de bediening van de Heere Jezus Christus, Die brengt ons tot die hartelijke en boetvaardige belijdenis dat we tegen al de geboden zwaarlijk gezondigd hebben. De wet doet me niet zeggen: Gena o, God gena, hoor hoe een boeteling pleit. Nee, dat kan Jezus Christus alleen. Dat doet God door de genade-werking van Zijn Heilige Geest. Daarom, deze bekentenis is ten diepste niet het werk der wet, maar het werk van het Evangelie, het werk van Christus. ons hart is als een steen. Het zal de milde dauw van het Evangelie niet in zich opnemen, indien het niet verbroken is. Indien we de ongelijkvormigheid aan God niet zien, indien we de smart van de zonde in ons leven niet gevoelen, dan zal het troostwoord van Jezus op de hardheid van ons hart afstuiten. Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth.11:28). Zullen we ooit als armen tot Jezus komen, zullen we ooit bereid zijn om ons door Hem te laten zaligen, dan is het voor alles nodig dat we onze zonde en ongerechtigheid recht en grondig kennen. Daarom moeten we smeken om de genade van de Heilige Geest en we moeten aan Gods voeten neervallen om de verlichting van Zijn Geest. Opdat we de afstand zouden zien die door ons gemaakt is, de scheiding door ons veroorzaakt. Opdat we de pijn van de droefheid, van het gemis, in ons hart zouden voelen en die droefheid naar God in ons geboren wordt, die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid. Want deze kennis van de wet brengt ons naar de tempel. Die zondaar achter in de tempel wist dat hij tegen al Gods geboden zwaar overtreden had. Dat ging hij vertellen in de tempel. Dat was genade, dat was het Evangelie. Want al schreeuw je duizend jaar dat je zo'n groot zondaar bent, en je schreeuwt het niet uit aan de voeten van Jezus, dan word je nooit gered. De wet keurt u af in uw doen en laten, in uw dagelijkse bewegingen. In alles wat u doet en laat.

We moeten betalen. of door onszelf, of door een ander
Als God door Zijn wet ons vastgrijpt, dan bepaalt Hij ons bij de volmaakte eis. Hij wil die wet ongeschonden terug. We moeten betalen. Of door onszelf, of door een ander, maar we moeten betalen. Dan bepaalt die wet ons vooral bij onze dadelijke en dagelijkse zonden. Het is nodig, en dat doet God door Zijn Geest, dat we zien, dat we tegen God gezondigd hebben. Tegen die God, Die ons van onze jeugd af met Zijn gunst omtuind heeft. Die ons als kind tegemoet trad en ons als kind met het zegel van Zijn verbond aan Hem verbond. Die God, Die ons van onze jonge jaren nawandelde. Dan is alle rust ons opgezegd. Als we dat gaan zien, kunnen we niet tevreden zijn met iets buiten de verzoening met God. Het stuk van de ellende kunnen we u niet slechts voorhouden, zonder u te wijzen op de weg der verlossing, die in Christus Jezus is. Zo als ik ben behoor ik niet te zijn, zo ben ik uit Uw hand niet voortgekomen. Zo ben ik, de praktijk heeft het bewezen, zo ben ik van nature geneigd, God en mijn naaste te haten. Wanneer deze belijdenis op onze lippen is, wanneer wij deze bekentenis met ons hart doen, en we ons zo neerleggen aan de voeten van de Heere, dan staat er: Toen hoorde God, Hij is mijn liefde waardig. Voor ware schuldbelijders zal God Zich niet verbergen, Die in de wereld gekomen is om het verlorene te zoeken. Want wat voor de wet onmogelijk was, krachteloos als zij was door het vlees, dat heeft God gedaan: Hij heeft Zijn eigen Zoon gezonden in een gedaante gelijk aan het zondige vlees en dat omwille van de zonde, en de zonde veroordeeld in het vlees, opdat de rechtvaardige eis van de wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. (Rom.8:3 en 4). Gode zij dank voor de verlossing, die in Christus Jezus is. Dan vraagt de onderwijzer: Kunt u dit alles volkomen houden? Hij vraagt niet: zùlt u dit alles. Hij vraagt ook niet: wílt u dit alles. Maar hij zegt: Kùnt u dit alles. Dan belijden we met de kerk van alle tijden; Heere, hiertoe zijn we onbekwaam. Hier hebben we geen hoop meer. Ik ben door de wet, zegt Paulus, aan de wet gestorven (Gal.2:19), maar toen heeft het God behaagd Zijn Zoon in mij te openbaren (Gal.1:15,16), Die ik gezien heb aan het schandhout van de zonde, dragende Gods Heilige Wet. Nu is Hij mijn gerechtigheid en ik zal daarvan zingen van nu aan tot in eeuwigheid.

                         
















 


a

LOGO

Zondag-1






Sola Scriptura