Logo
Oleh-Dara-Nya

 

        

 


 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

En zij volhardden in de leer van de apostelen en in de gemeenschap, in het breken van het brood en in de gebeden.  (Handelingen 2:42).

Antwoord 54: 

Joh. 10:11; Ef. 4:11-13; 5:25, 26; Gen. 26:4; Jes. 49:6; Rom. 10:12, 13; Opb. 5:9; Ps. 111:1; Hand. 20:28; Hebr. 12:22, 23; Rom. 8:29, 30; Ef. 1:10-14; 1 Petr. 2:9; Ps. 71:17, 18; Jes. 59:21; 1 Kor. 11:26;
Ps. 129:4, 5; Mat. 16:18; Joh. 10:16, 28; Jes. 59:21; Rom. 1:16; 10:14-17; Ef. 5:26; Joh. 17:21; Hand. 2:42; Ef. 4:3-6; 1 Tim. 3:15; Rom. 8:10; 1 Joh. 3:14, 19-21; Ps. 23:6; Joh. 10:28; Rom. 8:35-39; 1 Kor. 1:8,9; 1 Petr. 1:5; 1 Joh. 2:19
.


Antwoord 55: 

Rom. 8:32; 1 Kor. 6:17; 12:12, 13; 1 Joh. 1:3; 1 Kor. 12:21; 13:1-7; Fil. 2:2-5.

Antwoord 56: 

Ps. 103:3, 10, 12; Jer. 31:34; Micha 7:19; 2 Kor. 5:19; Rom. 7:23-25; 2 Kor. 5:21; 1 Joh. 1:7; 2:1, 2; Joh. 3:18; 5:24.


Deze Zondag handelt over de algemene Christelijke Kerk.


Drie hoofdthema's in deze bespreking
1.
 Als het lichaam van Christus
2.  Als de gemeenschap van de heiligen
3.  Als delend in de vergeving van de zonden

Inleiding
Deze 21e Zondag valt ook onder het opschrift: Van God de Heilige Geest en onze heiligmaking. En al wordt hier van de kerk gesproken, dan is dat zeker geen zijweg, want de Geest en de kerk zijn niet van elkaar te scheiden. Het is juist de Heilige Geest, Die de kerk vergadert. De Heilige Geest is de Werkmeester, Die uitgaat van God de Vader en van God de Zoon om de kerk, door de Vader aan de Zoon gegeven, te roepen, te beschermen, te bewaren, toe te brengen als een reine bruid tot haar Man Christus. Er staat dan ook, dat de Zoon van God uit het gehele menselijke geslacht zich een gemeente, tot het eeuwige leven heeft uitverkoren, vergadert door Zijn Geest en Woord. Nee, er staat niet dat de Zoon van God Zich een gemeente heeft uitverkoren, want de uitverkiezing is niet het werk van God de Zoon, maar het werk van de Vader. Hem wordt in het huishoudelijk werk van de Drieënige God, het werk van de uitverkiezing, in het bijzonder toegeschreven. Maar er staat, dat Christus die uitverkoren gemeente door Zijn Geest en door Zijn Woord in enigheid van het ware geloof van het begin van de wereld, tot aan het einde, vergadert, beschermt en bewaart. De uitverkiezing is het fundament, waarop Christus Zijn kerk bouwt, door de Heilige Geest. De Heilige Geest is de Volmaker. Zoals Hij de schepping heeft afgemaakt, zo bouwt Hij ook de kerk af. De kerk wordt gebouwd op het fundament van de verkiezing, door het bloed van Christus en wordt door de Heilige Geest afgemaakt. Hij past het werk van Christus toe, Hij roept, de van eeuwigheid verkorenen, in de tijd, opdat ze als levende stenen gebouwd zullen worden op het fundament Jezus Christus en Die gekruisigd. De kerk is één, zegt de belijdenis. Wat gelooft u van de heilige, algemene, Christelijke Kerk?

Het is een kerk die zich uitstrekt over alle tongen,
geslachten, talen en natiën
De uitleg in de inleiding is wat beleden wordt, in de Twaalf Artikelen van ons algemeen, ongetwijfeld, christelijk geloof. Ik geloof één heilige, algemene, Christelijke Kerk. Niet een heilige, maar één heilige kerk. Er is slechts één kerk, die heilig, christelijk en algemeen is, en dat is de kerk van Jezus Christus. Die kerk is ontzaglijk groot en wijd, en strekt zich uit van de hemel tot de aarde. Die kerk omvat de triomferende en de strijdende kerk, en ook diegenen, die nog tot die kerk zullen worden toegebracht. Het is één groot gezin; de triumferende kerk, die de strijd reeds te boven is en de strijdende kerk, die nog op de wereld is, waar ze voortdurend wordt aangevochten door de wereld, door de zonde en door de duivel. Zij heeft voortdurend te strijden met vijanden, die het altijd op de kerk gemunt hebben. Maar de kerk bestaat ook uit die leden, die nog geboren moeten worden, onder Joden en heidenen, die onder het zegel van de verkiezing liggen en nog toegebracht moeten worden. We denken soms zo gering van de kerk. Wij beperken soms die ene heilige algemene Christelijke Kerk binnen de wanden van een bepaalde gemeente. Ik las, hoe dat voor enkele jaren geleden, vijf zendelingen onder de heidenen zijn gaan werken en daar vermoord zijn. En nu las ik, dat twee vrouwen van die vermoorde zendelingen hun arbeid hebben voortgezet en dat er acht mensen van die heidense stammen gedoopt zijn, onder wie er vier waren, die beleden, dat zij die zendelingen vermoord hadden. Laat ons de ene algemene Christelijke Kerk niet beperken binnen de wanden van de gemeenten, waarin wij leven. Want het is een kerk die zich uitstrekt over alle tongen, geslachten, talen en natiën, in het verleden, heden en ook in de toekomst. Onder het Oude Testament was de openbaring van de kerk, hier op aarde, zeer sterk gebonden aan het volk van de Joden. Hun waren de woorden van het eeuwige leven toebetrouwd. Zij waren het, die in het bijzonder, het Woord van God hadden. Die zalig werden uit de heidenen, werden tot hen toegebracht, tot hun nationale eenheid, die ze vormden hier in de wereld. Maar, nadat Christus het aan het kruis uitgeroepen had: Het is volbracht; is de middelmuur van de afscheiding verbroken. Nadat het volk van de Joden hun Koning verworpen had, is de zaligheid ons deel geworden, de heidenen, die vervreemd leefden van God en Christus. Het is één kerk. Zij is ook heilig. Gods kinderen, die op aarde zijn, zijn nog met vele zonden bevlekt. Toch zijn ze heilig, niet in zichzelf, niet in hun daden, maar in Christus ziet God in Zijn kerk geen zonden en geen overtreding.

Die Geest verbindt zich ten nauwste aan de prediking
van het woord
Zijn kerk is heilig in Hem. Dan leert de onderwijzer verder: De Zoon van God vergadert die kerk uit het gehele menselijk geslacht. Het staat dus niemand vrij om zich al dan niet bij die kerk aan te sluiten, alsof het een vereniging is. Nee, Christus vergadert die kerk. Die kerk wordt hier op aarde bijeengebracht door Zijn woord en door Zijn Geest. Door ambten, waardoor Christus zijn kerk regeert. Want de kerk wordt niet geregeerd door het volk, in de kerk heerst geen democratie. In de kerk regeert Christus en alleen Hij heeft het voor het zeggen. En Hij regeert door Zijn woord en de ambten, die Hij aan Zijn kerk gegeven heeft. Daarom handelen wij dan ook tegen het Woord van God, wanneer we ons afscheiden van de kerk, die erkent dat Christus het Hoofd is. Hier wil Hij in het bijzonder door Zijn profetisch ambt de woorden van het eeuwige leven ons bekendmaken. Hier vergadert Hij zegt de catechismus hen, die Hij tot het eeuwige leven heeft uitverkoren, door Zijn Geest en Woord. Hij zendt Zijn Geest uit en zij worden geschapen. Die Geest verbindt zich ten nauwste aan de prediking van het woord, waarvan de apostel Paulus zegt: hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen zonder die hun predikt? (Rom.10:14). Aan de kerk is ook de dure roeping gegeven om zending te bedrijven. God vergadert die kerk, maar Hij gebruikt daar middelen voor. God heeft Zich verbonden aan de kerk, verbonden met Zijn Geest aan het Woord en daarom zijn wij ook gebonden aan de middelen. Als we zalig willen worden, dan moeten we in de eerste plaats de middelen waarnemen, die God ons tot zaligheid gegeven heeft. Christus vergadert Zijn kerk. 't Is geen mensenwerk, maar Hij doet het wel door mensen, door ambten, door de bediening van Zijn woord. Hij bedient dat woord door Zijn Geest. Nu, dat heeft Hij vanaf het begin van de wereld gedaan en dat zal Hij doen tot het einde toe. God beschermt en bewaart en onderhoudt Zijn kerk tegen het woeden van de satan. Dat doet Hij en dat zal Hij blijven doen, hoe donker het in de toekomst ook wordt voor de kerk. Hoe ook de kerk innerlijk verdeeld en verscheurd zal worden. Want in de laatste tijden zullen de mensen grillig zijn van gehoor, dat ze zelf hun leraars zullen uitkiezen die aan hun grilligheid voldoen. De liefde van velen zal verkillen. Dan zal de Heere zeggen: Zal er nog geloof zijn, zoals die weduwe had, die bij de onrechtvaardige rechter aanhield? Toch heeft Hij beloofd, dat de liefde niet van allen zal verkillen. Er zullen er toch blijven, die in eenheid van het geloof aan hun Hoofd Jezus Christus verbonden blijven, ook het goede voor elkaar zullen zoeken. Welnu, de kerk zoals we die hier op aarde zien, noemt men de zichtbare kerk. Het is waar, alle leden van de zichtbare kerk zijn nog geen leden van de onzichtbare kerk. De onzichtbare kerk is een organisme, waarvan het leven wordt gewerkt door de Geest in de harten van Zijn kinderen. Want de kerk is de gemeenschap van ware gelovigen, die hun zaligheid van Jezus Christus verwachten en gewassen en gereinigd zijn door Zijn bloed en geheiligd zijn door de Heilige Geest. De gemeente is als gemeente het lichaam van Christus en als zodanig wordt de kerk ook christelijk en heilig genoemd.

In de wedergeboorte krijgen wij Christus,
met al Zijn schatten

Dit zijn de kenmerken van de levende leden. Zij hebben God lief en krijgen ook hun naaste lief, als openbaring van het nieuwe leven. En Gods kinderen, zij hebben een plaats in ons huis en in ons hart. Niet alleen de rijken, die wat weg te geven hebben, maar ook de mensen daar in dat steegje, die eenzame, die het arm heeft naar de wereld. Dan beminnen we ze allemaal, omdat het beeld van God erin uitstraalt. Ten eerste, zegt de onderwijzer: bestaat de gemeenschap van de heiligen, daarin dat we gemeenschap hebben met het Hoofd in de hemel en vervolgens met Zijn schatten en gaven. Eerst met de Persoon, want de liefde vraagt niet: Wat hebt u zoal voor mij? Maar de liefde vraagt: Wie bent u? De liefde heeft lief om de Persoon en niet om de gaven. Zo zou het altijd moeten zijn: gemeenschap met Christus, met het Hoofd in de hemel. En die gemeenschap is alleen door het geloof. Wanneer we hier op aarde op Hem mogen zien, Die aan de rechterhand van de Vader is, dan zeggen we met Paulus: Opdat ik Hem mag kennen, en de kracht van Zijn opstanding en de gemeenschap met Zijn lijden, doordat ik aan Zijn dood gelijkvormig word (Fil.3:10). De onderwijzer zegt: allen en een ieder. Dat zijn dus ook de zwakken en de lammetjes van de kudde. Het is gemeenschappelijk goed, maar ook voor een ieder persoonlijk. We hebben aan al Zijn schatten deel. In de eerste plaats aan de schatten die Hij voor Zijn kerk verwierf: rechtvaardigmaking, heiligmaking en heerlijkmaking. Aan die schatten heeft ieder van Gods kinderen gemeenschap. Dat ligt niet in de sterkte of zwakheid van ons geloof, maar in het toedelen van Christus, want in de wedergeboorte krijgen wij Christus met alwat Hij heeft. Hemel en aarde worden dan van ons. De onderwijzer geeft ons daar de verzekering van, hij zegt: U allen, die een levend lidmaat bent van Jezus Christus, hebt gemeenschap aan Zijn schatten. Elk lid van de kerk krijgt van Christus gaven. De een meer, de ander minder. Ieder krijgt talenten, een, twee, vijf of meer. Er is geen lid van de gemeente, of hij krijgt van Christus gaven. Wanneer we die schatten hebben, dan hebben we ook een taak in het midden van de gemeente, om die schatten en gaven tot nut en tot zaligheid van andere lidmaten gewillig en met vreugde aan te wenden. Dat zijn de kenmerken die openbaar komen en Christus wil, dat we die gaven zullen aanwenden, op de plaats waar God ons gesteld heeft. Hier op deze aarde kan het niet anders, of dan zal de kerk de priesterlijke taak, die ze van Christus heeft, graag vervullen. Dan zal de kerk met hetgeen God haar gegeven heeft, tot een licht op een berg zijn, een licht, om daar te schijnen, waar God haar gesteld heeft.

Christus bedekt met Zijn gerechtigheid al onze ongerechtigheid
in vraag 56 vraagt de onderwijzer: Wat gelooft u van de vergeving van de zonden? De onderwijzer antwoordt: "Dat God op grond van de genoegdoening door Christus mij al mijn zonden en ook mijn zondige aard, waartegen ik mijn leven lang te strijden heb, niet meer wil toerekenen, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenkt, opdat ik nooit meer in het gericht van God zal komen". Vergeving van de zonden, dat is het hoogste goed, dat de kerk ontvangt. God vergeeft ook mijn zondige aard, waartegen ik mijn hele leven te strijden heb. Dat we zo'n verdorven aard hebben, dat kunt u niet als een verontschuldiging aanvoeren bij God en mensen. Het verzwaart de zonde en de straf, want we zijn rein uit de hand van God voortgekomen. Wanneer het er nu om gaat, wat ik geloof van de vergeving van de zonden, dan zeg ik: Ik geloof niet alleen, dat God vergeven wil al wat ik misdreef of nagelaten heb, maar ook dat God mijn "zondige aard" vergeven wil. Dat God dat doen zal tot het einde toe, omdat ik tegen die zondige aard tot het laatste toe strijden moet. De catechismus zegt: dat ik daar heel mijn leven mee te strijden heb. En als telkens die zondige aard weer in me opbruist en hetgeen ik niet wil, toch door mij gedaan wordt, dan heb ik telkens de verzoening van die zonden nodig in het bloed van Jezus Christus. Ik wil u aanzien in de gerechtigheid van Mijn lieve Zoon, alsof u geen zonde had of gedaan had. Als daar iets van ervaren wordt, door het dierbaar geloof in ons hart, dan staan we net zo rein voor God als Jezus Christus. Dan hebben we geen vlek, dan bedekt Hij met Zijn gerechtigheid al onze ongerechtigheid. Dan bedekt Hij met het kleed van Zijn heiligheid al mijn vlekken. Dan neemt Hij mijn zondige aard voor Zijn rekening. Hij zegt: Ik, Vader, ben nooit weerspannig, Ik heb nooit een zondige aard gehad. Wat uit Mijn hart voortkwam, was de liefde tot U. En nu zult U hen Mijn kerk in Mij aanzien, in Mij, hun zondige aard vergeven. Om de genoegdoening van Jezus Christus, dus niet om hun schuldbelijdenis. Het gaat niet zònder schuldbelijdenis, maar we raken niet van onze zonden verlost door ze te belijden, maar alleen door de genoegdoening van Jezus Christus. Hij vergeeft niet alleen de zonden, maar ook dat ik nooit meer in het gericht van God zal komen.

De liefde tot de naaste vanuit de liefde tot Christus
Hoe groot is dan het voorrecht bij die levende kerk van Jezus Christus te mogen behoren; om die gaven en schatten van Hem te hebben ontvangen en die talenten te mogen besteden in Zijn dienst. Wanneer de bokken staan aan de linker zijde en de schapen aan de rechter zijde, dan zal Hij heel eenvoudige dingen opnoemen en zeggen tegen hen, die aan Zijn rechter zijde staan: Ik was hongerig en u hebt Mij te eten gegeven. Ik was dorstig en u hebt Mij te drinken gegeven. Ik was in de gevangenis en u hebt Mij bezocht. Ik was ziek en u hebt mij bezocht. Het zijn allemaal van die heel eenvoudige dingen. Ik had geen kleding en u hebt Mij gekleed. Dan zullen ze zeggen: Heere, waar hebben wij dat gedaan? Nee, ze hebben het niet in een boek geschreven. Ze zeggen, Heere waar dan? Ik kan me niet indenken, dat ik ooit iets aan Uw gemeente gedaan heb. Dan zal Hij zeggen: dat hebt u nu aan de minste van Mij gedaan. Ik reken, alsof u dat aan Mij gedaan hebt. Ook de anderen, die aan Zijn linker zijde staan, zullen vragen: Heere, waar hebben wij U hongerig gezien of dorstig, waar naakt of in de gevangenis en waar ziek? Dan zal Hij tot hen zeggen: u hebt het aan de minste van de Mijne
niet gedaan, u hebt het ook aan Mij niet gedaan, dat eenvoudige kleed, die beker water, dat voedsel, die christelijke handreiking. U hebt het niet gedaan uit de liefde van uw hart, uit bewogenheid van uw gemoed en daarom: gaat weg van Mij, gij werkers van de ongerechtigheid. Deze zullen gaan in de eeuwige pijn en de rechtvaardige in het eeuwige leven.




















 


a

LOGO






Sola Scriptura