Logo
Oleh-Dara-Nya

 

        

 


 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus.  (Romeinen 5:1).

Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar wie niet gelooft, is al veroordeeld, omdat hij niet geloofd heeft in de Naam van de eniggeboren Zoon van God.  (Johannes 3:18).

Antwoord 59: 

Hab. 2:4; Joh. 3:36; Rom. 1:17

Antwoord 60: 

Rom. 3:21-26; 5:1, 2; Gal. 2:16; Ef. 2:8, 9; Fil. 3:9; Rom. 3:9; 7:23; Deut. 9:6; Ezech. 36:22; Rom. 3:24; 7:23-25; Ef. 2:8; Tit. 3:5; 1 Joh. 2:1, 2; Rom. 4:4-8; 2 Kor. 5:19; 2 Kor. 5:21; Joh. 3:18; Rom 3:22

Antwoord 61: 

1 Kor. 1:30; 2:2; 1 Joh. 5:10


Deze zondagsafdeling spreekt ons van de rechtvaardiging door het geloof.


Drie hoofdthema's in deze bespreking
1.
 De omschrijving van deze weldaad
2.  De wijze, waarop deze tot stand komt
3.  De werkzaamheid van het geloof daarin

Inleiding
Alle godsdiensten van de heidenen moeten iets doen voor hun goden en dat, dan de goden iets terug doen. In Alle godsdiensten buiten die ene ware Godsdienst, moet aan de god, hoe hij ook genoemd wordt, iets worden toegebracht en dan hoopt men er iets voor terug te krijgen. Dat is ook de kern van het roomse geloof, waarin ook velen van ons gevangen zitten. Zoveel mogelijk goed doen en dan eindelijk de zaligheid krijgen. Dus door heiligmaking, door verbetering, rechtvaardig worden. En dit is nu de dwaasheid, die God ons leert, die ook de apostel de dwaasheid van de prediking noemt, dat het nu bij God en in Zijn Kerk juist andersom toegaat. God maakt éérst rechtvaardig en uit dat leven van de rechtvaardigheid, uit die herstelde gemeenschap met God, vloeien nu ook de vruchten, komt vanzelf de heiligmaking voort. Wanneer de boom goed is en dat doet God altijd eerst dan worden de vruchten vanzelf ook goed. In de christelijke religie is het zo: Eerst rechtvaardigmaking en dan heiligmaking. Eerst de verhouding goed tussen God en onze ziel en dan worden vanzelf de vruchten goed. Dan wordt de levensopenbaring anders, dan brengt de goede boom, goede vruchten voort. Nu, zegt de onderwijzer, dat hebben wij nu dus allemaal in de voorgaande zondagen, uitgebreid behandeld: Wat hebt u er nu aan, dat u dit alles gelooft? Wat voor troost, wat voor vrede hebt u daar nu eigenlijk uit, dat u dit nu allemaal weet en gehoord hebt, en ook toestemt dat het alzo is? En dan zegt het antwoord: Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam van het eeuwige leven. Wel, wat voordeel ik daar van heb, wat voor troost mij dat geeft, dat ik dat alles geloof? Wel: ik ben weer een vriend van God. Ik ben weer in een rechte verhouding met God gekomen. Ik ben in Christus voor God rechtvaardig. Rechtvaardig is niemand buiten Christus. Rechtvaardig is niemand, indien we leven, zoals we geboren zijn. Rechtvaardig kunnen we misschien genoemd worden tegenover onze naaste; maar hier staat, dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben! Nu roept, in antwoord op deze vraag de onderwijzer het uit: Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben. Dus de verhouding met God is weer hersteld, door die kennis. En dat begrijpt u wel, dat is niet een zuiver verstandelijke kennis; hoewel u die verstandelijke kennis nooit moet uitsluiten, want wij kunnen met ons hart nooit geloven, wat we met ons verstand niet kunnen aanvaarden. We hebben een redelijke godsdienst, want ons hart werkt niet buiten ons verstand om. Omdat het getuigenis van de Geest daarvan in mijn hart is, ja, daarom ben ik in Christus voor God rechtvaardig en een erfgenaam van het eeuwige leven. Hier hebt u dus de omschrijving van de weldaad.

God schenkt ons, zonder enige verdienste van onze kant, alleen uit genade,
ons de volkomen genoegdoening
Ik ben voor God rechtvaardig alleen maar in Christus en ik ben een erfgenaam van het eeuwige leven. Een erfgenaam. Ik leef hier nog in het land van de vreemdelingschap, maar ik ben een erfgenaam. Ik ben een kind van God en wanneer ik straks ga sterven, dan ga ik de erfenis beërven en die erfenis is zo vast als God er is, want God bewaart die erfenis voor mij in de hemel en Hij bewaart míj voor de erfenis. De erfgenaam wordt bewaard voor de erfenis en de erfenis voor de erfgenaam. Nu kan het niet meer missen. God bewaart mij en de erfenis en straks zal ik de erfenis verkrijgen. Waarom? Wel, omdat Christus de erfgenaam is en omdat ik Zijn broeder ben. En omdat ik Zijn broeder ben, ben ik mede-erfgenaam van Christus. Zie, dat zegt hier de onderwijzer in het kort. De manier, waarop deze rechtvaardigmaking van de zondaar voor God, tot stand komt, geeft de Schrift ons op duidelijke wijze aan. De Schrift spreekt van verschillende rechtvaardigmakingen voor God.

In de eerste plaats
noemt de Schrift ons, dat we in Christus voor God rechtvaardig zijn, vanuit de eeuwigheid. God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende. Daar hebt u nu dus de rechtvaardigmaking "van eeuwigheid". God heeft van eeuwigheid Zijn kerk lief in Christus en in Christus is de kerk van eeuwigheid verkoren. In Christus, ziet God geen zonden aan in Jakob en geen overtreding meer in Israël.

In de tweede plaats wordt er een rechtvaardigmaking genoemd in de Schrift, die de gehele kerk deelachtig is in Christus, toen Hij opstond uit het graf. Gestorven, zegt God voor onze zonden, maar ook opgewekt tot onze rechtvaardigmaking. Toen de Heilige Geest Christus afscheidde van de dood op de Paasmorgen, heeft Hij daarmee Zijn gehele kerk, én die triomferen in de hemel, én die strijden op de aarde, én die nog geboren moeten worden, afgescheiden van de dood. En in Christus is de gehele kerk voor God rechtvaardig. Maar u zult wel begrijpen, dat noch in die eerste, noch in die tweede rechtvaardigmaking van Christus' opstanding uit de doden, ik troost kan hebben, wanneer ik ook niet in mijn hart die weldaad van de rechtvaardigmaking geschonken krijg; wanneer ik de vrucht, de troost daarvan niet in mijn leven vind.

Ten derde is er nog een andere rechtvaardigmaking en hier spreekt de Catechismus ook duidelijk van. Dat is de rechtvaardigmaking, die plaats heeft in de "wedergeboorte", wanneer God een zondaar afsnijdt uit Adam en hem overplant in Christus. Dan doet God iets in het leven van een mens. Dan haalt Hij hem, vanuit de kaken van de vorst der duisternis en Hij zet hem over in het Koninkrijk van Christus; daar wordt hij afgesneden uit Adam en ingeplant in Christus. Want het is van tweeën één: ik ben rechtvaardig voor God òf ik ben verdoemelijk voor God. Het is niet zo, dat er een bekommerde kerk is, die, nou ja, wel "de beginselen" hebben van het eeuwige leven, maar toch in een onverzoende staat met God staan. Dat is onmogelijk. God ziet ons aan, òf in Christus en dan is Hij onze genadige Vader, òf Hij ziet ons aan in onszelf, in ons eerste verbondshoofd en dan zijn we verdoemelijk, kinderen des toorns, gelijk alle andere mensen. Dus van tweeën één. In de wedergeboorte, die door de Heilige Geest in ons, zonder ons geschiedt, heeft de rechtvaardigmaking plaats; die genoemd wordt: de "dadelijke" rechtvaardigmaking. Dan rechtvaardigt God ons dus door de daad van afsnijding uit Adam en inplanting in Christus.

Vraag ik het aan mijn geweten, dan zegt de onderwijzer, dat mijn geweten mij aanklaagt en ik die rechtvaardigheid in mijn leven niet vind. Vraag ik het aan Gods wet, dan zegt die wet in elk gebod: Vervloekt is een ieder, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. Vraag ik het aan de mens, dan zegt hij: Jij, rechtvaardig? En ben je dàt dan vergeten? En weet je dàt soms niet meer? Vraag ik het aan de duivel, dan zegt hij: Je zonden zijn te groot. Houd maar op met vragen, want je hebt moed- en vrijwillig gezondigd. Je hebt tegen beter weten in gezondigd. Je hebt geen heil bij God. Dan wordt het onmogelijk voor mij. Nee, de onderwijzer zegt: Alleen door een waar geloof in Jezus Christus; Al klaagt mijn geweten mij aan, dat ik tegen alle geboden van God zwaar gezondigd en geen daarvan heb gehouden, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, toch schenkt God mij, zonder enige verdienste van mijn kant, alleen uit genade, mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus en rekent mij die toe, als had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja, als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft. Alleen door deze weldaad met een gelovig hart aan te nemen ben ik rechtvaardig voor God. Ziet u het? Hier spreekt de onderwijzer niet over hetgeen hij tegen zijn naaste bedreven heeft, maar hij zegt: Heere ik heb Uw geboden geschonden, ik heb alle geboden geschonden. Heere, ik sta schuldig aan elk gebod. Aan het één met gedachten, aan het ander met woorden, aan een ander met werken, en aan een ander met alle drie. U begrijpt het wel, hier is iemand aan het woord; die door het licht van Gods Geest in zijn hart geblikt heeft; die gezien heeft, dat hij voor een rechtvaardig God niet kan verschijnen, zonder een gerechtigheid te hebben, die meerder is dan de gerechtigheid van de Farizeeërs en Schriftgeleerden. Hier is een ontdekte zondaar, die ziet, dat hij tegen al de geboden Gods zwaar gezondigd heeft. Een ontdekte zondaar, die ook gezien heeft, dat er geen hoop meer is, dat hij het in de toekomst nog beter zal maken. Ik ben voortdurend geneigd God en mijn naaste te haten, maar daar tegenover plaatst God de rechtvaardigheid en heiligheid van Christus.

God vonnist in de hemel een verloren zondaar, die Hij alléén,
op grond van Christus' gerechtigheid in Zijn gemeenschap opneemt
Nergens kan een zondaar heenvluchten, hoewel hij het aan alle zijden geprobeerd heeft. De Heere houdt hem vast door Zijn Heilige Geest, totdat hij het bekent: Heere, ik heb tegen al Uw geboden zwaar gezondigd en geen enkele daarvan gehouden, en ik heb geen hoop meer het ooit nog goed te kunnen maken. En zie, daar zet zich het gericht. Daar treedt God de Vader naar voren en spreekt de zondaar vrij. Vrij? Waarom? Wel, omdat Hij de zondaar aanziet in Jezus Christus. Christus toont Hem Zijn doorboorde handen, toont Hem de losprijs, en het is genoeg voor de Vader. Ziet, dat heeft plaats in het hof des Hemels. En wanneer gebeurt dat nu eigenlijk? Nu, dat gebeurt in de wedergeboorte, wanneer de mens opnieuw geboren wordt, dan heeft dat gericht plaats vóór God. Dan treedt Christus in bij Zijn Vader voor een doodschuldige zondaar, en wordt die zondaar onmiddellijk uit de gevangenis gehaald, op grond van die gerechtigheid van Jezus Christus. Vanaf het uur van de wedergeboorte heeft God Zijn richterlijke toorn afgelegd en betoont Hij Zich in Christus Jezus Vader te zijn. Het verschil tussen rechtvaardigmaking en de heiligmaking ligt onder andere hierin, dat de rechtvaardigmaking plaats vindt buiten ons, en de heiligmaking in ons. Worden we dan niet "veranderd" in de rechtvaardigmaking? Nee, dat gebeurt in de heiligmaking. In de rechtvaardigmaking heeft er geen verandering plaats. De rechtvaardigmaking is een vonnis. Zoals de rechter in de vierschaar vonnist, zo vonnist God in de hemel nu ook een verloren zondaar, die Hij alléén, maar dan ook alléén op grond van Christus' gerechtigheid in Zijn gemeenschap opneemt. En wanneer die scheiding door God is opgeheven, wanneer die breuk is hersteld, wanneer de toegang tot God is hersteld, dat Hij dan ook dadelijk Zijn trekkende liefde uitzendt in het hart van die zondaar. Dan zendt Hij ook dadelijk Zijn Heilige Geest in het hart van die gerechtvaardigde. En die schenking heeft plaats, ik zeg het nogmaals, in de wedergeboorte. Dan rekent God ons Christus met al Zijn weldaden toe. Hoe komt het dan, dat er zovele kinderen van God zeggen: O, als het maar waar is, als ik me maar niet bedrieg, als het maar geen werk is van mijn gemoed en gevoel, als God toch maar eens werkt in mijn leven? Weet u, hoe dat kan? Wel, dat staat in het laatste gedeelte: Alleen door deze weldaad met een gelovig hart aan te nemen ben ik rechtvaardig voor God. Ziet u het? Daar ligt het nu in. Dat laatste zinnetje moeten we onderstrepen, want daar ligt de sleutel van het geheim: Alleen door deze weldaad met een gelovig hart aan te nemen. Het ontbreekt u niet aan de schenking. Wanneer God een mens vernieuwd, dan doet Hij een volmaakt werk, maar het ontbreekt in de aanneming. Het zit dus in uw zwakheid en het gebrek van uw geloof, dat u niet meer troost hebt in "dat rechtvaardig voor God zijn". Nu zijn er in die oefeningen van het geloof verschillende trappen en mate. Daar zijn zuigelingen, daar zijn kinderen, daar zijn jongelingen, daar zijn mannen, daar zijn vaders. Daar zegt ook de onderwijzer van: Alleen door deze weldaad met een gelovig hart aan te nemen.

God heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard in Christus
Er is een christendom, dat verzekerd is van hun zaligheid, door de oefeningen van het geloof, verzekerd en verzegeld door de Heilige Geest. Dat werkt de Heilige Geest naar de trappen van het geloof. Hij doet meer en meer wassen in de kennis en in de genade van de Heere Jezus Christus. Welnu, zo is het duidelijk geworden, dat wij niet gerechtvaardigd worden, omdat we dit of dat beleefd hebben; want al waren we in de hel geweest, al hadden we zelf in ons lichaam en in onze ziel de helse smarten gedragen, dan zouden we daardoor voor God niet rechtvaardig zijn; want in alles wat ik beleef, alles wat ik meemaak, al de pijnigingen en al de verschrikkingen, die er in mij zijn, die maken mij niet rechtvaardig. Zoals we kunnen lezen in Romeinen 3; God heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard in Christus. En de rechtvaardigheid Gods in Christus, is nu geopenbaard, zonder de Wet, in het Evangelie. Dat was het, wat bij Luther zijn hart verbrak, toen hij bedolven onder de macht van zijn zonden, dreigde weg te zinken onder God. Toen kwam God hem bekend te maken, dat de rechtvaardigheid in het Evangelie geopenbaard wordt. U zult zeggen: Wordt er dan in het Evangelie alleen maar van rechtvaardigheid gesproken? Ja, God heeft Christus voorgesteld tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid; niet van Zijn liefde, van Zijn barmhartigheid, of van Zijn goedertierenheid, maar van Zijn rechtvaardigheid! Nee, Paulus zegt: De rechtvaardigheid wordt in het Evangelie geopenbaard. Christus is voorgesteld tot een betoning van Gods rechtvaardigheid, dat wil zeggen, Hij alleen heeft de pers getreden. En niet, hetgeen ik ben of hetgeen ik doe, maar hetgeen Hij ondergaan heeft en hetgeen Hij gedaan heeft, dat is mijn rechtvaardigheid voor God. Want zo dikwijls wanneer u de blik op Hem slaat, zo dikwijls als u bij Hem schuilt, vindt God genoegen in de gerechtigheid, die u omhelst. En dat is nu alleen aan te nemen door het dierbaar geloof, waarvan de volgende vraag, vraag 61 spreekt: Waarom zegt u dat u alleen door het geloof rechtvaardig bent ?

Alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid
van Christus is mijn gerechtigheid voor God
Het geloof op zichzelf genomen, is niet de grond van mijn rechtvaardig zijn bij God; de grond is alleen: de genoegdoening en de gerechtigheid van Christus. Zijn heiligheid, is alleen mijn gerechtigheid bij God. Maar ik heb geloof nodig als een hand, om die gaven aan te nemen; om te ontvangen, wat God mij geschonken heeft. Dat zegt in 't kort vraag en antwoord 61. Waarom zegt u dat u alleen door het geloof rechtvaardig bent ? Niet, omdat ik vanwege de waardigheid van mijn geloof, God aangenaam ben; maar daarom, dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijn gerechtigheid voor God is, en dat ik die niet anders dan alleen door het geloof kan aannemen en toeëigenen. Dus niet het geloof, wat enige waarde in zichzelf zou hebben. Niet, zoals de remonstranten het stellen, die zeggen: als ik nu maar geloof, dan zal God mij genadig zijn. Nee, het is juist andersom: God is mij genadig en nu mag ik geloven; God schenkt het mij en nu geeft Hij mij ook geloof, dat ik het aan mag nemen. En wie is nu rechtvaardig voor God? Dat zijn zij, die de rechtvaardigheid doen, want de rechtvaardigmaking en de heiligmaking zijn niet van elkaar te scheiden, hoewel ze wel onderscheiden zijn. Calvijn zegt: die de rechtvaardigmaking en de heiligmaking scheidt, die scheurt het lichaam van Christus vaneen. Hij die rechtvaardig is, doet de rechtvaardigheid; en zal in zijn leven ook openbaren vruchten voort te brengen. En daaraan kunt u het weten. U bent nog niet rechtvaardig voor God, die van harte het onrecht doet; die de zonde nog liefheeft; die uw vertrouwen stelt op uw verbeteringen, die er al te zien zijn in uw leven, op hetgeen, u voor God doet, op uw kerkgang, op hetgeen, u in uw leven werkt voor God. Nee, u bent níet rechtvaardig voor God, die er van houdt hier in deze wereld met de kinderen van de wereld te leven. U bent níet rechtvaardig voor God, die geen lust hebt tot heiligmaking; van wie het gebed het niet dagelijks is: Heere reinig me toch van mijn verborgen afdwalingen. Wie zijn er dan wel rechtvaardig voor God? Wel, het zijn zij, die hier in dit leven er iets van ervaren door de ontdekkingen van Gods Geest, dat ze tegen al de geboden van God zwaar gezondigd hebben. Dat ootmoedig buigen onder het Recht van God; dat aan Gods zijde gaan staan; dat uitroepen: Heere, ik weet het niet meer, hoe ik ooit met U verzoend zou moeten worden. Heere, U bent rechtvaardig, wanneer U mij verloren liet gaan, maar, is er nog een weg, is er nog een middel? Dat zijn nu die "rechtvaardigen" voor God. Dat is een Nathanaël, waarvan God zegt, dat Hij in hem geen bedrog ziet. Ze belijden hun onoprechtheid voor het aangezicht des Heeren. Zij zijn rechtvaardig voor God, die enigermate verlichting van hun schuldenlast hebben gevoeld, toen ze een blik mochten slaan in de dierbare beloftenissen van het heilig Evangelie. Zij hebben iets van de vrede met God gesmaakt, zij hebben die Weg mogen zien, waardoor ze zalig kunnen worden. Die dit ondervonden heeft, die is door God gerechtvaardigd, en die zal dagelijks begeren om het weer opnieuw te mogen ondervinden en om het weer opnieuw te horen, steeds weer.

Dan zeggen ze wel eens: Ach, Heere, zegt U het nog eens tot mijn ziel, dat U niet meer op mij toornen of op mij schelden zult. Heere, zegt U het nog eens tot mijn ziel: Ik ben uw Heil. Dan hebben we het nodig, omdat we elke dag opnieuw Gods Geest bedroeven, om elke dag opnieuw gerechtvaardigd te worden, en de toevlucht meer en meer te nemen tot dat bloed van Jezus Christus. U zult zeggen: Wanneer ben ik dan eens volkomen rechtvaardig? Dat komt straks, wanneer we de laatste adem uitblazen, dan is onze rechtvaardigmaking volkomen. Maar, zolang we hier op aarde zijn, mankeert er bij ons altijd nog iets aan, omdat onze beste daden altijd weer met zonde bevlekt zijn. Maar, naar de mate dus, dat ik bij Hem schuil, en naar de mate, dat ik op Zijn wonden blik, en naar de mate, dat ik me vermaak in Zijn offerande, naar die mate heb ik nu vrede bij God door onze Heere Jezus Christus. Wast dan op in de kennis en de genade van onze Heere Jezus Christus. Staat toch niet meer naar die en die weldaden. Want de weldaad van de rechtvaardigmaking in uw geweten wordt geschonken in de gemeenschap met Jezus Christus; en daar gaat aan vooraf, dat steeds dieper ontdekt te worden; dat steeds dieper te buigen onder de eis van het Goddelijk Recht; dat steeds meer uzelf als een "verlorene" kennen. Maar dan wordt ook de zaligheid, die in Hem geopenbaard wordt, steeds heerlijker, steeds groter, steeds schoner. Ja, dan leer ik op het laatst, wat de Apostel zegt: En ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij !


                        
















 


a

LOGO






Sola Scriptura