Logo
Oleh-Dara-Nya

 

        

 


 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Want allen die uit de werken van de wet zijn, zijn onder de vloek. Er staat immers geschreven: Vervloekt is ieder die niet blijft bij alles wat geschreven staat in het boek van de wet, om dat te doen.  (Galaten 3:10).

Een goede boom kan geen slechte vruchten voortbrengen en een slechte boom kan geen goede vruchten voortbrengen.  (Mathéüs 7:18).

Antwoord 62: 

Deut. 27:26; Gal. 3:10; Jes. 64:6

Antwoord 63: 

Luk. 17:10; Jakobus 2:10; Hebr. 13:21.

Antwoord 64: 

Mat. 7:18; Joh. 15:5


Deze zondagsafdeling spreekt ons van de goede werken ten opzichte van onze rechtvaardiging.


Drie hoofdthema's in deze bespreking
1.
 De ongenoegzaamheid van de goede werken
2.  Het loon op de goede werken beloofd
3.  De bron van de goede werken

Inleiding
De hervormers ze spreken over de rechtvaardigmaking, door het geloof, alleen. Men bemerkt, hoe ze alles hebben ingespannen om juist het hart van het Evangelie puntig uiteen te zetten, zodat het voor geen tweeërlei uitleg vatbaar is. Het is alléén door het geloof. De hervormers die hadden met hun voorgeslachten eeuwen lang geleefd onder het roomse juk. Daar was de theologie op de goede werken gebaseerd en steeds meer en meer werd van die enige grondslag, van de rechtvaardigheid, afgeweken. De werken werden met genade vermengd. De roomse kerk kent de rust niet, die in God ligt. Men kent "de verzekerdheid van het geloof" niet. Ja, men ontkende het zelfs, dat men verzekerd kon zijn van de zaligheid, zolang men hier op aarde was. Eeuwen lang heeft de kerk in die ban geleefd, onder de beklemmende vrees toch nog eenmaal verloren te gaan; onder de bange twijfel van nooit genoeg gedaan te hebben om voor God te kunnen bestaan. U kunt zich wel indenken, wat het geweest is voor Luther, Zwingli en Calvijn, toen ze door Gods Geest geleid, het licht mochten ontdekken, het licht van de rechtvaardigmaking door het geloof alleen. Toen knellende banden hun ontvielen en koperen grendelen verbroken werden en ze iets van "de zekerheid van het geloof" mochten ervaren. Door de Geest van God werden ze geleid tot het Evangelie van Jezus Christus en hoorde, dat de rechtvaardigheid Gods geopenbaard is in het Evangelie, dat God Zijn rechtvaardigheid betoond heeft in Christus Jezus. En nu zijn diegenen, die in Hem geloven, volkomen vrij. Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een deel daarvan zijn ? Wat hier staat, gaat dwars tegen ons bestaan in, namelijk dat wij er met al onze werken buiten gezet worden. Dat God uit souvereine genade Zijn kerk zalig maakt. Want, die door God gerechtvaardigd is, die zal ook zeker in een weg van heiligmaking zijn voeten zetten op, en zijn weg richten naar, de wet van God, die door God gerechtvaardigd is, die heeft Hij ook geheiligd. Wanneer de onderwijzer vraagt: kunnen onze goede werken, of een deel daarvan, onze gerechtigheid voor God, niet zijn? Dan antwoordt hij: nee, Omdat de gerechtigheid, die voor Gods gericht geheel volmaakt en in alle opzichten met Gods wet in overeenstemming moet zijn, terwijl zelfs onze beste werken in dit leven allemaal onvolmaakt en met zonden bevlekt zijn.

De passieve heiligmaking en de actieve heiligmaking
In de vorige Zondag hebben we gesproken over het rechtvaardig zijn voor God, alleen door het bloed van Jezus Christus. Komen daar onze werken niet aan te pas? Nee, in het stuk van de rechtvaardigmaking komen ze niet te pas. Hebben ze geen enkele waarde voor God en ook in het stuk van heiligmaking niet. Want u moet niet zo denken, dat onze rechtvaardigheid alleen is door genade van God, maar dat de heiligmaking door onszelf gedaan moet worden. Nee, ook in de "passieve" heiligmaking is de mens "lijdelijk". We worden niet alleen rechtvaardig gemaakt, door God; maar we worden ook in Christus geheiligd. Heiligen dat betekent afzonderen, afgescheiden van de doodstaat. Wij worden levend gemaakt met Christus en afgescheiden van de zonde en de wereld. Dat is een daad van God. God ziet ons in Christus aan als "heilig" vanaf het uur der wedergeboorte. God kan met een onheilige geen gemeenschap hebben. Hij ziet in Christus Zijn kerk aan als heilig! Dat noemt men de "passieve heiligmaking". Dat is de heiligmaking, die al Gods kinderen bezitten, zodra ze wedergeboren zijn. In Christus, genieten ze volmaakte rechtvaardigheid, maar ook volmaakte heiligheid. Maar er is ook een andere kant. Dat noemt men dan de "actieve heiligmaking", dat is dus de heiligmaking, die in ons levengewerkt wordt, niet door ons eigen kunnen of kennen, maar door de kracht van de Heilige Geest. Die Geest, die in Christus, maar ook in ons woont. Want in de wedergeboorte worden we verenigd met Christus. Door die vereniging krijgen we gemeenschap aan de Geest van Christus. En die Geest zit nooit stil, die Geest van Christus is een Geest van heiligmaking. Dus ik ben in Christus geheiligd, vanaf het uur van de wedergeboorte, maar ik word ook van dag tot dag vernieuwd, in die actieve heiligmaking, door het werk van de Heilige Geest. En nu denkt u misschien, dat in die actieve heiligmaking mijn werken wel een rol spelen, dat het er dus wel op aan komt, om zoveel mogelijk goed te doen voor God en daardoor toch vooral te zorgen in een rechte verhouding met God te blijven. Nu, dan zitten we wéér midden in het roomse geloof. U weet wel, Rome wil door heiligmaking rechtvaardig worden. Maar God leert, uit de rechtvaardigmaking heilig worden. En dat niet maar éénmaal, maar dat moeten we elke dag opnieuw leren. Ook in het stuk van de heiligmaking hebben onze werken geen enkele waarde voor God. Want het staat er duidelijk: de gerechtigheid, die voor Gods gericht bestaan kan, moet geheel, volkomen en aan de wet van God in alle stukken gelijkvormig zijn.

De beloning van onze goede werken is niet uit verdienste,
maar uit genade

Het is waar, dat om zo'n gerechtigheid voor God te kunnen verwerven, het zó moet zijn: dat het volkomen aan de wet van God beantwoordt. Zoals God Zelf aan Zijn eigen wet beantwoordt. En dat wordt in het gericht van God getoetst. Het is niet zo, dat de Heere onze goede werken, die we toch met onze goede bedoelingen doen, ook na de wedergeboorte, als volkomen en volmaakt voor Hem houdt. Nee, zegt de Heere, als we door onze werken zalig willen worden, komen we er nooit. Dan moeten we helemaal volmaakt zijn, net zo volmaakt als God. Wanneer onze werken door God bezien worden en er kleeft maar een heel klein vlekje aan, dan zegt de Heere: dat keur Ik af, dat kan de hemel niet beërven, dat is niet gelijkvormig aan Mijn heilige wet en daarom afgekeurd. Wie kan dan bestaan voor God? Ja maar, verdienen dan onze goede werken niet? God heeft toch Zelf gezegd, dat God ze toch in dit en in het toekomende leven wil belonen? De Heere heeft toch op veel plaatsen gesproken van een loon, wat Hij op de werken geven zal? Is het dan vergeefs, als we zo goed mogelijk onze best doen op de wereld en kunnen Gods kinderen dan geen goede werken doen? Het zijn geen werken, waardoor zij rechtvaardig voor God kunnen zijn. Het zijn werken, die God nog laat doen, in Zijn algemene goedheid of algemene genade, waardoor het nog mogelijk is, dat de wereld nog is, zoals ze is. Het zijn geen werken van verdienste, integendeel, het is Gods genade, dat Hij dat nog laat doen. Soms zelfs door onbekeerde of ongelovige mensen, die een voorbeeld zijn voor de christenen in deze wereld. Al gaf iemand al zijn goed aan de armen, zegt Paulus, en al gaf hij zijn lichaam over om verbrand te worden, en hij had meer niet, dan worden toch zijn werken afgewezen in het gericht van God. Ja, er zijn werken, die God beloofd heeft te willen belonen, maar dan legt Hij ze niet in de weegschaal. Bijvoorbeeld de zaligheid aan de ene kant en de werken aan de andere kant en dan kijken, hoeveel werken we moeten doen om de schaal door te laten slaan. Zo doe Ik het niet, zegt de Heere, want in de weegschaal van Mijn recht, daar is maar één werk, dat de doorslag geeft, waardoor Ik een zondaar aanzie. Dat is niet uw werk, maar het werk van Jezus Christus. Maar hoe zit dat dan met onze werken? Die heeft God toch ook beloofd te willen belonen? Ja, zegt de onderwijzer, maar dat gebeurt niet uit verdienste, maar uit genade. Ja, het is geoorloofd, je mag de Heere dienen om loon, als je dan het loon, maar ziet als een genadeloon.

Het is onmogelijk, dat wie Christus door het geloof is ingeplant,
geen goede vruchten zou voortbrengen

Maar maakt deze leer geen zorgeloze en goddeloze mensen? Als dat echt zo is, dat ik er niets aan toe kan brengen tot mijn zaligheid, wat baat het me dan. Laat ik dan maar leven, zoals ik leef, als ik dan uitverkoren ben, kom ik er toch. Mijn goede werken baten niet. Maar het antwoord luidt: Het is onmogelijk dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten van dankbaarheid. Wie zo door het geloof wordt ingeplant, bevindelijk, onderwerpelijk, wordt van dag tot dag telkens afgebroken en ook telkens vernieuwd. Dan is het onmogelijk, dat zo iemand niet zou voortbrengen vruchten van dankbaarheid. Het is onmogelijk dat wie met Christus is begiftigd, niet de werken van Christus zou doen, al moet dan de verst gevorderde in dit leven zeggen, dat hij nog maar een klein beginsel heeft van het ware leven van dankbaarheid. Degene, die geen vruchten van dankbaarheid voortbrengt, is geen kind van God. Er zijn heel wat mensen die wel praten over hun bekering en hun bevinding op hun levensweg, terwijl zij tegenover hun naasten zo hard zijn als een spijker. Ja, zelfs tegen hun naaste bloedverwanten zijn ze keihard. U bent onbekeerd, die zo leeft. We zijn geen hartenkenners, we kunnen in het binnenste van iemands hart niet inzien. De Heere kent het hart. Maar een goede boom brengt goede vruchten voort, en een kwade boom, kwade vruchten. Het is onmogelijk, dat wie Christus door het geloof is ingeplant, geen vruchten zou voortbrengen van vrede, liefde, geloof, blijdschap, lankmoedigheid, zachtmoedigheid en matigheid. Hoe gelukkig zijn dan zij, die hier in dit leven zich tot God mogen bekeren, die zich door Zijn genade tot Hem heen wenden. Die hun voeten mogen zetten in Zijn spoor en die zeggen mogen: Heere, mijn werken zijn te licht bevonden en waar moet ik heen, dan tot U alleen. U zult mij niet verstoten. U hebt Uw eigen Zoon van de troon gezonden; op Hem zien mijn schreiende ogen en op Hem vertrouw ik in het verdriet. Hoeveel te dichter, u dan bij Hem mag schuilen, hoeveel te heiliger uw leven zal worden. Immers, een leven van heiligmaking vloeit voort uit de gedurige kennisneming van: het rechtvaardig zijn voor God. Hoeveel te meer we in zijn wonden mogen schuilen, hoeveel te verder we van de wereld leven. En als we dan straks onze voeten zetten op de gouden stranden van de eeuwigheid, zullen we nooit in ònze werken roemen, want dan zullen de werken, die wij gedaan hebben, vruchten zijn van de rechtvaardigmaking door het bloed van Jezus Christus alleen.
















 


a

LOGO






Sola Scriptura