Logo
Oleh-Dara-Nya

 

        

 


 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Antwoord 65: 

Mark. 16:19; Luk. 24:51; Hand. 1:9; Rom. 8:34; Ef. 4:10; Kol. 3:1; Hebr. 4:14; 7:24, 25; 9:24; Mat. 24:30; Hand. 1:11.

Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt? Volstrekt niet! Hoe zullen wij, die aan de zonde gestorven zijn, nog daarin leven?Of weet u niet dat wij allen die in Christus Jezus gedoopt zijn, in Zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat evenals Christus uit de doden is opgewekt tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in een nieuw leven zouden wandelen.Want als wij met Hem één plant zijn geworden, gelijkgemaakt aan Hem in Zijn dood, dan zullen wij ook aan Hem gelijk zijn in Zijn opstanding. Dit weten wij toch, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam van de zonde tenietgedaan zou worden en wij niet meer als slaaf de zonde zouden dienen. Want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde. Als wij nu met Christus gestorven zijn, geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven. Wij weten toch dat Christus, nu Hij is opgewekt uit de doden, niet meer sterft. De dood heerst niet meer over Hem. Want wat Zijn sterven betreft, is Hij voor eens en altijd voor de zonde gestorven, en wat Zijn leven betreft, leeft Hij voor God. Zo dient ook u uzelf te rekenen als dood voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus, onze Heere.
(Romeinen 10:14-17).

Antwoord 66: 

Mat. 28:20; Mat. 26:11; Joh. 16:28; Joh. 17:11; Hand. 3:21; Hebr. 8:4; Mat. 28:20; Joh. 14:16-18; 16:13;
Ef. 4:8.

Welzalig is de man aan wie de Heere de zonde niet toerekent. Wij zeggen immers dat aan Abraham het geloof gerekend is tot gerechtigheid. Hoe is het hem dan toegerekend? Toen hij besneden was of als een onbesnedene? Niet als besnedene, maar als onbesnedene! En hij heeft het teken van de besnijdenis ontvangen als een zegel van de gerechtigheid van het geloof dat hij had toen hij nog onbesneden was, opdat hij een vader zou zijn van allen die geloven, hoewel zij onbesneden zijn, opdat ook hun de gerechtigheid toegerekend zou worden; en om een vader te zijn van hen die besneden zijn, voor hen namelijk die niet alleen besneden zijn, maar die ook wandelen in de voetsporen van het geloof van onze vader Abraham dat hij had toen hij nog onbesneden was.
(Romeinen 4:8; 9b; 10-12).

Antwoord 67: 

Jes. 66:1; Jer. 23:23, 24; Hand. 7:49; 17:27, 28; Mat. 28:6; Joh. 3:13; 11:15; Kol. 2:9.

Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt? Volstrekt niet! Hoe zullen wij, die aan de zonde gestorven zijn, nog daarin leven?Of weet u niet dat wij allen die in Christus Jezus gedoopt zijn, in Zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat evenals Christus uit de doden is opgewekt tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in een nieuw leven zouden wandelen.Want als wij met Hem één plant zijn geworden, gelijkgemaakt aan Hem in Zijn dood, dan zullen wij ook aan Hem gelijk zijn in Zijn opstanding. Dit weten wij toch, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam van de zonde tenietgedaan zou worden en wij niet meer als slaaf de zonde zouden dienen. Want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde. Als wij nu met Christus gestorven zijn, geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven. Wij weten toch dat Christus, nu Hij is opgewekt uit de doden, niet meer sterft. De dood heerst niet meer over Hem. Want wat Zijn sterven betreft, is Hij voor eens en altijd voor de zonde gestorven, en wat Zijn leven betreft, leeft Hij voor God. Zo dient ook u uzelf te rekenen als dood voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus, onze Heere.
(Romeinen 6:1-11 ).


Deze Zondag handelt over: Het zaligmakend geloof gewerkt en gesterkt


Vier hoofdthema's in deze bespreking
1.
 De oorsprong van het geloof
2.  De werkmeester van het geloof
3.  De middelen tot versterking ervan
4.
 Het getal van de sacramenten

Inleiding
De vorige Zondagen hebben ons geleerd, dat de rechtvaardigheid, die ik voor God heb, alléén door het geloof is. Dat degenen, die het geloof missen, geen deel hebben aan de gemeenschap met God. Het geloof alléén, daar komt het op aan in ons leven; dat we dat levend, zaligmakend geloof hebben. En dan spreekt het vanzelf, dat de onderwijzer in Zondag 25 de vraag stelt: Aangezien alleen het geloof ons aan Christus en aan al zijn weldaden deel geeft, waar komt dan dit geloof vandaan ? En dan zegt de onderwijzer: dat geloof heeft goddelijke kracht, dus dat moet een goddelijke oorsprong hebben. Het geloof heeft een goddelijke kracht, trekt het dichtbij, wat ver af is, en het maakt mogelijk, wat voor eeuwig niet meer kon. Nu, dat kan dus alleen maar door God worden gewerkt en is in het bijzonder het werk van de derde persoon van het goddelijk wezen, die genoemd wordt de Geest van het geloof. Dat geloof komt dus van de Heilige Geest, heeft dus een goddelijke oorsprong. Dat geloof wordt ons niet geschonken in de bediening van de Heilige Doop. Nee, dat geloof wordt door de Heilige Geest gewerkt in de harten van de uitverkorenen. Hiermee hebben we dan meteen het onderscheid bepaald tussen alle andere "geloven", die eigenlijk geen geloven zijn, en het geloof wat de Heilige Geest in ons hart werkt. Er is een tijdgeloof, een historiëelgeloof en een wondergeloof. U weet wel: een tijdgeloof, wat maar voor een tijd enige aandoeningen geeft, dat voor een tijd enige blijdschap schijnt te hebben in het belijden van de naam van God. Een tijdgeloof, wat enige smaak kan hebben van het zalig leven, wat zich verblijden kan in de toekomstige heerlijkheid, maar als verdrukking of vervolging komt dan valt het terstond af, want het heeft geen wortel. Het gaat niet verder dan ons verstand en ons gevoel. Zo is het ook met het wondergeloof en met het historiëelgeloof. Het historiëelgeloof is slechts een toestemmen van de waarheid. Zoals we dus van elkaar dingen geloven, zo geloven we dan ook het Woord van God. We nemen het aan, we zeggen: Ja, dat zal zo wel kunnen zijn, dat geloof ik, dat neem ik aan en voor de rest hebben we er geen strijd over en wij hebben er ook geen verborgen kracht uit. Dit geloof zetelt in het verstand. Ook is er nog het geloof van de wonderen, dat gepaard kan gaan met het zaligmakend geloof, maar wat op zichzelf niet zaligmakend is. Hier spreekt echter de onderwijzer van het geloof, gewerkt door de Heilige Geest, als de Geest van Jezus Christus. Het geloof is dus een gave van God. God maakt ons, Christus met Zijn weldaden, deelachtig in de wedergeboorte en dan schenkt Hij ook meteen de hand om die weldaden aan te nemen. Hij doet dat, door de verkondiging van het heilig Evangelie. De Heilige Geest gaat door de gemeente heen en Jezus peilt de nood van het zondaarshart. En waar nood is, daar is Jezus met Zijn Geest, door de verkondiging van het heilig Evangelie. Daardoor werkt Hij het geloof. We maken altijd onderscheid wanneer we over het geloof spreken tussen de planting van het geloof en tussen de oefening van het geloof. In de wedergeboorte plant God het geloof en verder in het leven oefent Hij het geloof.

Wat zijn sacramenten?
Nu is de prediking van het Evangelie in de eerste plaats er om het geloof te werken. De bediening van de sacramenten is om het geloof te versterken, dat is het onderscheid. De prediking komt tot allen, die onder het Evangelie leven. Ja, zelfs nog wel tot hen, die het maar een of twee keer gehoord hebben. Maar de bediening van de sacramenten geld alleen de gelovigen. Die kunnen alleen maar deelnemen aan de doop en het avondmaal, want dat zijn "tekenen en zegelen". Als God iets gaat verzegelen, dan moet er eerst "iets" zijn. Dat doen wij ook, we gaan geen zegel plakken op een lege enveloppe. Dat doen we pas, als er een stuk van waarde in wordt weggestuurd. Dan gaan we het tekenen en verzegelen. Zo doet de Heere ook. Waar geloof is, daar kan het versterkt worden. Waar geen geloof is, kan het ook niet versterkt worden; dan hebben ook de sacramenten geen zin. Dat heeft de Heere ons duidelijk bekend gemaakt, namelijk, om te weten, om de belofte van het Evangelie beter te verstaan te geven en te verzegelen, dat Hij ons vanwege het enig slachtoffer van Christus aan het kruis volbracht, vergeving van de zonden en het eeuwige leven, uit genade, schenkt. Dus heel eenvoudig, toen u daar het water zag neerdruppelen op het voorhoofd van onze kinderen, zei de Heere: Mijn gelovigen, ziet u nu wat er gebeurt, ziet u dat water? Dat betekent nu het bloed van Christus. Zoals het bloed van Christus uit Zijn wonden droop tot verzoening van de zonden der wereld, zo druipt nu ook dat doopwater op het hoofd van uw kind. Opdat al degenen, die van Mij zijn, zo zekerlijk door dat water gewassen en gereinigd worden van al hun overtredingen. De Heere zegt bijvoorbeeld in het avondmaal: Kijk nu eens gelovigen, Ik weet wel, dat je hart zo dikwijls geslingerd wordt over de oprechtheid van je geestelijk leven, maar hier zie je het. Zoals de dienaar de wijn schenkt voor uw ogen, zegt God zo stroomde nu het bloed van Jezus uit Zijn wonden op de aarde. En zoals het brood voor u gebroken wordt, zegt God: Kijk nu eens Mijn kinderen, zo is nu ook Mijn lichaam aan het kruis van Golgotha verbroken. En zo waarachtig, als u het met uw oog ziet en met uw mond proeft en zo waarachtig, als u dat doopwater ziet neerdruppelen op het hoofd van het kind, zo waarachtig zegt God, zweer Ik u, dat door het enig slachtoffer van Christus aan het kruis volbracht, uw zonden vergeven zijn en u het eeuwige leven uit genade geschonken wordt..

De Heilige Geest leert ons door het Evangelie
en verzekert ons door de sacramenten

Dan vraagt de onderwijzer: Zijn beide, het woord en de sacramenten, dan bestemd om ons geloof te wijzen op het offer van Jezus Christus aan het kruis, als op de enige grond van onze zaligheid ? Hebben ze dan beiden die betekenis? In de dagen waarin de catechismus opgesteld is, was er hoofdzakelijk de strijd tegen de roomsen en de geestdrijvers, de wederdopers. Daarom ook in het antwoord op vraag 65. God werkt het geloof alleen maar door de verkondiging van het Evangelie. Dat is tegen de wederdopers, die op het inwendig licht roemen en tegen Rome. Verder zijn beide, Woord en Sacrament, daarheen gericht of daartoe ingesteld, dat zij ons geloof op de offerande van Christus aan het kruis, als op de enige grond onzer zaligheid wijzen. De Heilige Geest leert ons door het Evangelie en verzekert ons door de sacramenten, dat onze volkomen zaligheid in de enige offerande van Christus ligt, die voor ons aan het kruis geschied is. Daar is dus wel verschil in Woord en Sacrament. Het sacrament zien we en smaken we en het Woord horen we, alleen tot versterking van het geloof. Maar er is ook iets, wat ze gemeen hebben. Ze wijzen van onszelf af en ze wijzen ons erop, ja, verzegelen en verzekeren, dat wie op Christus vertrouwt niet beschaamd zal uitkomen. Ze wijzen ons daarheen, dat alleen de offerande van Christus voor God bestaan kan. Hieruit blijkt dus, dat het Woord volstrekt noodzakelijk is. Niemand kan er zalig worden, zo het niet gepredikt wordt. Hoe zullen ze geloven, indien er niemand is die hun predikt? Maar het gebruik van de sacramenten is niet absoluut volstrekt noodzakelijk om zalig te worden. Dat wil echter niet zeggen, dat de sacramenten er niets toe doen. Nee, want de vorige keer hebben we ook gehoord, dat het onmogelijk is, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof is ingeplant, niet zou voortbrengen vruchten van dankbaarheid. Dus, als we van mening zijn dat we de sacramenten, de bediening van het Heilig Avondmaal en de bediening van de Heilige Doop eigenlijk wel kunnen missen, dan staan we lijnrecht tegenover de leer van de onderwijzer. Onmogelijk zegt hij, dat, wie door een waarachtig geloof Christus ingeplant is, geen vruchten van dankbaarheid zou voortbrengen. We kunnen niet zeggen, God lief te hebben en moedwillig de sacramenten verzuimen. God heeft Zelf de sacramenten ingesteld, om het geloof te versterken.

Er zijn net als in het Oude Testament twee sacramenten
Er zijn twee sacramenten, de roomsen hebben er zeven. Wij kunnen niet inzien dat God er meer heeft ingesteld, omdat er ook onder het oude verbond maar twee waren, pascha en besnijdenis. De aard van de zaak duidt het ook aan. Want de Doop is het sacrament van de inlijving in Christus en het sacrament van het Avondmaal is tot gedurige voeding van onze ziel. En zoals we maar eenmaal geboren worden, en zo moeten we maar eenmaal wedergeboren worden, zo moeten we maar eenmaal gedoopt worden. Maar, omdat we iedere dag opnieuw voedsel nodig hebben, zo moeten we ook telkens het sacrament van het Heilig Avondmaal gebruiken, om voedsel voor onze ziel te ontvangen. In 1 Petr.3 en 1 Kor.10 is de doop reeds afgebeeld door de zondvloed en in de doortocht door de Rode Zee. Dat is ook in het formulier van de Heilige Doop opgenomen. Daar worden die beiden ook genoemd: de zondvloed, waarin Noach met zijn acht zielen in de ark behouden werden en de Rode Zee, waarin Farao met zijn leger verdronk. Deze twee tekenen hebben één ding gemeen, namelijk dat het water scheiding maakt tussen, degenen die verloren gingen en tussen degenen die behouden werden. Wat nu voor al diegenen buiten de ark de dood was, dat was voor degenen, die in de ark waren het leven. Want het water droeg de ark met degenen, die erin waren, maar het water was ook de dood voor al degenen die buiten de ark waren. Zo is nu ook onze doop: dat is water waarin we verdrinken of water, waardoor we zalig worden. Het doet altijd iets. De Rode Zee maakte scheiding tussen Israël, dat veilig was en de Egyptenaren, die verdronken. Als we niet optrekken met het volk van God door de woestijn naar Kanaän, wanneer we blijven staan in onze doop, verdrinken we in het water van de doop. Dat wil zeggen, dat God, Die de eis op ons hart brengt in de doop, ons veroordeelt en dat teken en zegel zal dan tot onze verdoemenis zijn. Dan zal de Heere zeggen: Ik heb het aan je voorhoofd verzegeld, dat Ik je God wilde zijn, maar je hebt niet gewild. En, omdat Ik dat nu gedaan heb en je Mijn liefde afgewezen hebt en je Mijn trouw veracht hebt en je op Mijn hart getrapt hebt in de verwerping van het bloed van Christus, daarom zul je met vele slagen geslagen worden. Dan zou het beter zijn, nooit gedoopt te zijn geweest en beter, nooit deelgenomen te hebben aan het Heilig Avondmaal en beter, nooit de prediking gehoord te hebben. Wat dan? Zullen we bij al onze erf- en dadelijke zonden, ook die zonde nog hebben, dat we het bloed van het Nieuwe Testament onrein geacht hebben?

Kies dan heden, wie u dienen zult
Denk aan uw doop; aan wat God verzegeld heeft, toen u nog maar enkele weken oud was. God heeft een scheiding getrokken en leeft u nu aan de zijde van de wereld, dan zult u verdrinken in uw doop. Wat ik u bidden mag: luister toch een ogenblik, terwijl er zo'n grote zaligheid te verkrijgen is, ook voor u, wie of u ook bent. Niemand behoeft te twijfelen aan Gods genade, of behoeft te zeggen: dat zal voor mij wel niet zijn; dat goed is voor mij toch niet weggelegd. Vlucht met uw gedoopt voorhoofd tot de Heere en zeg: Heere, ik beken het in mijn hart, dat ik mijzelf niet zalig maken kan, maar Heere, U hebt het in de doop beloofd, dat U ook mijn God wil zijn. Ik weet zeker, als u zo aan Gods troon mag worstelen, dan zal Hij u ook die "betekenende zaak" schenken, wie u ook bent. Daar staat de liefde van de Vader en het bloed van Christus en de werking van de Eeuwige Geest borg voor. Die Drienige God, Die heeft het aan uw voorhoofd bezegeld, dat Hij ook Uw God wil zijn. Kom, verlaat de paden van de zonde. Kies toch heden, wie u dienen zult en dan zal het sacrament van de Doop u vrijmoedigheid geven om ook aan het sacrament van het Heilig Avondmaal deel te nemen. Dan zal uw hart gaan hongeren en dorsten om meer en meer de kracht van dat bloed te mogen kennen en ervaren. Om dichter en dichter bij Jezus te mogen schuilen. Dan zult u kleiner worden in uzelf en al armer in úw kennen en kunnen. Dan zal het waar zijn: op U verlaat zich de arme. Ú ziet het wél, want U aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geeft; op Ú verlaat de arme zich, U bent geweest een Helper van de wees. (Psalm 10:14)

















 


a

LOGO






Sola Scriptura