Logo
Oleh-Dara-Nya

 

        

 


 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Want ook wij waren voorheen onverstandig, ongehoorzaam, dwalend, verslaafd aan allerlei begeerten en hartstochten, levend in slechtheid en afgunst, hatelijk en elkaar hatend. Maar toen de goedertierenheid van God, onze Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen verschenen is, maakte Hij ons zalig, niet op grond van de werken van rechtvaardigheid die wij gedaan zouden hebben, maar vanwege Zijn barmhartigheid, door het bad van de wedergeboorte en de vernieuwing door de Heilige Geest. Die heeft Hij in rijke mate over ons uitgegoten door Jezus Christus, onze zaligmaker, opdat wij, gerechtvaardigd door Zijn genade, erfgenamen zouden worden, overeenkomstig de hoop van het eeuwige leven.(Titus 3:3-7).

Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat evenals Christus uit de doden is opgewekt tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in een nieuw leven zouden wandelen (Romeinen 6:4).

Antwoord 69:
 

Mat. 28:19; Mat. 3:11; Mark. 1:4; 16:16; Luk. 3:3; Joh. 1:33; Hand. 2:38; Rom. 6:3, 4; 1 Petr. 3:21.

Antwoord 70: 

Ezech. 36:25; Zach. 13:1; Hebr. 12:24; 1 Petr. 1:2; Opb. 1:5; 7:14; Ezech. 36:26, 27; Joh. 1:33; 3:5; Rom. 6:4; 1 Kor. 6:11; 12:13; Kol. 2:11, 12.


Deze Zondag spreekt ons van het offer van Christus


Drie hoofdthema's in deze bespreking
1.
 Het offer van Christus bezegelt in de doop
2.  Het uiterlijk teken bij een betekende zaak (het bloed van Christus)
3.  De instelling van het sacrament van de Heilige Doop

Inleiding
In de bijbel wordt de ziekte van de melaatsheid, die zeer werd gevreesd, een plaag genoemd. Degene, die door deze plaag was aangetast moest gescheurde kleren dragen, blootshoofds zijn, de bovenlip bewimpeld hebben, buiten de legerplaats en later zelfs buiten de steden wonen. Bij nadering van een mens moesten ze uitroepen: Onrein, onrein. Veel voorschriften zijn er ook door de Heere gegeven, voordat een melaatse in het leger of zijn woonplaats weer kon worden opgenomen. Wanneer iemand meende, dat de plaag was uitgewoed, moest de priester naar hem toegaan en onderzoeken of er nog melaatsheid was of niet. Wanneer de priester van oordeel was, dat er geen melaatsheid was of dat de plaag van de melaatsheid was uitgewoed, dan moest hij twee vogels nemen en één van die vogels slachten boven een pot met levend water. De andere vogel moest hij daarin dopen en in vrijheid laten wegvliegen. Vervolgens moest de melaatse of althans hij, die door de priester beoordeeld werd, binnen het leger gesloten worden. Zeven dagen mocht hij niet in zijn tent komen. De achtste dag moest de "rein verklaarde" twee lammeren nemen en een schaap en één log olie (een halve liter) en tot de priester komen, waarna de offers gebracht werden, wat met veel ceremonieel gepaard ging. De priester nam dan van het bloed en streek dat op het rechter oor en op de rechter duim en op de rechter teen van hem, die genezen was verklaard. Zo moest hij ook doen met de olie, die tot de priester gebracht werd. Wanneer dit alles was gebeurd, dan moest hij zeven maal besprengd worden voor het aangezicht van de Heere en de overgeschoten olie werd op zijn hoofd uitgegoten. U kunt begrijpen, wanneer we Christus uit al die ceremoniën wegnemen, dan blijft er een dwaas kinderspel over. Maar, wanneer we Christus plaatsen in het hart van de ceremoniën, dan wordt elke handeling zinvol en dan wijst de genezing van de melaatsheid ons zeer duidelijk heen naar het bloed van de besprenging, het bloed van Jezus Christus, waarvan de Heilige Doop ons een teken en zegel is.

De betekenis van de doop: met Jezus begraven te zijn door de doop in de dood
en met Jezus opgestaan zijn in een nieuw leven
Ontzondig mij met hysop en ik zal rein zijn, zingt David in Psalm 51. Hij wist "melaats" te zijn. 't Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf. Ik heb dit kwaad bedreven, omdat ik verkeerd ben. Ik heb gezondigd, omdat ik zondaar ben en niet andersom. David was geen zondaar, omdat hij zondigde, maar hij zondigde omdat hij zondaar was en zó is het met ons allen. De wortel is bedorven en hetgeen, wat openbaar komt, zijn de takken. Het is al in onze geboorte, nog verder zegt hij; in mijn ontvangenis, in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren. Dat kon nu alleen weggewassen worden door Uw Geest en bloed en door Uw genade. Daarvan spreekt nu deze zondagsafdeling. Zij spreekt ons van Christus. Wat is uw enige troost? Dat moeten we ook boven deze Zondag plaatsen. Dat spreekt van Christus en Zijn bloed, dat reinigt van alle zonden, wat Hij betekent en verzegelt in het sacrament van de Heilige Doop. Dopen is afwassen, onderdompelen, besprengen. Het is afgeleid van een woord, dat"diepte" betekent. Vroeger gebeurde het alleen door onderdompeling. In het water ondergaan, spreekt van reinigen van vuilheid. Het werd oudtijds gebruikt door de Joden. Vóór de komst van Christus was de doop onder de Joden ook al bekend. Niet in de zin, hoe Christus het heeft ingesteld, maar men bediende de doop wanneer de heidenen zich lieten besnijden, nadat ze onderwezen waren in de joodse godsdienst. Daarna lieten zij zich dopen. Ze werden dan driemaal in het water ondergedompeld en stonden driemaal uit het water op. Ze zwoeren, driemaal buigend naar het westen, de afgoden af en bogen zich driemaal naar het oosten, daarmee de Drieënige God aannemend en erkennend als hun God en Heere. Van oude tijden af heeft men gewoon water gebruikt, wat voorhanden was, of een stroom. Daar werden de proselieten in gedoopt, die overkwamen tot de Joden.

Ook in de dagen van Johannes werd de doop toegediend door gewoon water. Het verschil is, dat zij de doop door onderdompeling en wij de besprenging kennen. In Romeinen 6:4 wordt dat beeld wel sterk overgebracht op het ondergaan met Christus door de doop in Zijn dood, wanneer er gesproken wordt over: met Hem begraven te zijn door de doop in de dood. Zoals men dus onder de aarde gaat, wanneer men begraven wordt, en zoals men onder water gaat in de doop, zó zegt Paulus in Romeinen 6, zijn wij "met Christus gestorven". Het teken daarvan is het ondergaan in het water. Zoals de wateren zich hebben toegesloten, zo zijn wij ook met Hem ondergegaan in de doop. Er blijft niets van ons over, betekent dat. We waren geheel melaats en onrein. Zo zijn we met Christus ondergegaan. We zijn verdwenen, we zijn gestorven, we zijn met Hem begraven. En wat begraven is, dat is voorgoed weg. We zijn met Christus gestorven, maar dat niet alleen, we zijn ook met Hem opgestaan en we hebben in het sterven de oude mens afgezworen. Die is onze vriend niet meer, maar die is onze vijand geworden. We zijn met Hem opgestaan in een nieuw leven. Dat duidde de onderdompeling aan. Toch is de doop van de besprenging niet ongeoorloofd. Daar spreekt Hebr. 12:24 over: en tot de Middelaar van het nieuwe verbond, Jezus, en tot het bloed van de besprenging, dat van betere dingen spreekt dan dat van Abel. en 1 Petr. 1:2 Uitverkoren overeenkomstig de voorkennis van God de Vader, door de heiliging van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenkeling met het bloed van Jezus Christus. Daar wordt dus over de besprenging gesproken. Uit praktische overwegingen bedienen wij de doop door besprenging, maar de betekenis is dezelfde. De Heere heeft het door alle tijden heen betoond, dezelfde kracht te willen verlenen aan de doop van de besprenging.

De doop moet in het midden van de gemeente bediend worden
In de dagen van Johannes was de plaats, waar gedoopt werd de zee of een stroom of een bron. U kunt dit lezen bij Johannes, die doopte aan de Jordaan bij Enon en Salim. Ze werden gedoopt in de Naam van de Heere Jezus Christus. Het schijnt, dat verschillende discipelen van de Heere Jezus in het begin alleen maar gedoopt hebben in de Naam van de Heere Jezus. Dat was bij de Joden ook niet zo erg, omdat de Joden geloofden in de Vader en de Heilige Geest, maar nog niet geloofden in de Christus, die gekomen was. Dus voor de Joden was het voornaamste, dat ze nu ook in Christus zouden geloven. Later heeft Jezus het zendingsbevel gegeven en in het bijzonder voor ons de formule opgesteld, dopende in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest. Daar mag niemand van afwijken, niemand mag dopen in geloof, hoop en liefde, zoals het bij de modernen wel eens gebeurt. We mogen, van hetgeen God ons gegeven heeft, niet afwijken.

Wie mogen de Heilige Doop bedienen? Daarin is onderscheid. U weet wel, dat de roomsen de nooddoop erkennen en dat houdt verband met die andere dwaling, dat ze stellen dat de erfzonden worden weggewassen door de doop, omdat het water zoveel kracht heeft wanneer het geheiligd is door de priester. Door het teken wordt dan de zonde weggenomen. Nu zou het kunnen zijn, dat er nog geen priester was, voor dat een kind zou sterven. De roomse kerk geeft dan de vrijheid aan dokters en vroedvrouwen of anderen, die in de woning of inrichting zijn om zulke kinderen, die dreigen te sterven, te dopen. De kerk heeft deze doop nooit erkend, omdat de doop plaats moet vinden in het midden van de gemeente. Niemand mag in zijn eigen woning dopen, tenzij in geval van nood, wanneer de gemeente des Heeren in een woning zou vergaderd zijn. In dagen van vervolging bijvoorbeeld. Als de gemeente in schuilplaatsen of noodgebouwen bijeenkomt. De doop moet in het midden van de gemeente bediend worden door een wettig geordende ambtsdrager. U zult zeggen: Filippus heeft toch ook de moorman gedoopt, en Ananias heeft Paulus gedoopt, toen hij na zijn bekering in de straat de Rechte zat. Maar Filippus was een evangelist en Ananias had een bijzondere opdracht van de Heere om dat te doen. We houden het er dus op, dat wettig geordende ambtsdragers de doop moeten bedienen, wil hij wettig zijn.

Het uitwendig waterbad van de Heilige Doop is doorChristus ingesteld
Voor de komst van Christus was er de besnijdenis, die wees op het bloedig lijden van de Heere Jezus en met het bevel van Christus is er de doop en moeten wij en ook onze kinderen gedoopt worden. Een ieder van u worde gedoopt, zegt de apostel Petrus in Handelingen 2:39 Want u komt de belofte toe en uw kinderen en allen die daar verre zijn, zovelen als er de Heere onze God toe roepen zal. Wat betekent de doop voor ons? Is het nu enkel een onderscheidingsteken tussen christen en heiden? Nee, ga niet mee met deze remonstrantse gedachte, alsof de doop een loutere vorm zou zijn, een kenteken, waaraan men weten kan of men heiden is of tot het christendom behoort. De doop heeft een veel diepere betekenis. Door de doop worden we er bij bepaald en ervan verzekerd, dat het enige offer van Christus aan het kruis geschied, ons ten goede komt. Zoals het water de vuilheid van het lichaam wegwast, zo wast ook het bloed van Jezus Christus onze zonden weg. Lees maar: Hoe wordt u in de heilige doop er bij bepaald en ervan verzekerd, dat het enige offer van Christus aan het kruis geschied, u ten goede komt ? Dan zegt de onderwijzer: alzo, dat Christus dit uitwendig waterbad heeft ingesteld en daarbij beloofd, dat ik met Zijn bloed en Geest van de onreinheid van mijn ziel, dat is van al mijn zonden, gewassen ben. Dit is even zeker als ik gewassen ben met het water, dat de onreinheid van het lichaam wegneemt. Zoals het water gesprengd is op uw voorhoofd, zo zeker bent u met Zijn bloed en Geest van de onreinheid van uw ziel van al uw zonden gewassen. Hier staat dus niet, dat het nog eens gebeuren zal, maar er staat:"gewassen ben". Dat is dus gebeurd. De onreinheid is weggenomen door het water. Dat betekent, dat de onreinheid van de ziel weggenomen is door het bloed. Wanneer gebeurt dat? We weten allemaal wel, dat het niet geschiedt door het uitwendig waterbad, en dat het teken van de doop ons niet behoudt van het oordeel. Maar alleen de betekende zaak en die "betekende" zaak is het bloed van Christus. Wanneer weet ik dan, dat het zegel ook mij verzegelt van de reiniging van mijn ziel door het bloed van Jezus Christus? Dat weet ik, wanneer Gods Geest dat in mijn hart afdrukt! Want wij hangen niet het"verbondsautomatisme" aan. Ook niet, dat men zegt: ik ben gedoopt, dùs ik ben een kind van het verbond, dùs houd ik me verzekerd, gewassen te zijn door het bloed van Jezus Christus. Nergens leert ons het Woord van God, dat het water de zonde wegwast. Het is een teken en een zegel daarvan. Maar het sacrament, op zichzelf, doet dat niet. Er zijn voorbeelden in het Woord van God van gedoopten, die verloren zijn gegaan en er zijn voorbeelden van ongedoopten, die zalig zijn geworden. Het komt er dus voor ons op aan, hoe wij nu in de Heilige Doop er bij bepaald en ervan verzekerd worden. De catechismus is niet opgesteld voor allerlei mensen, bekeerd en onbekeerd. Het is een troostboek.

Gewassen met het bloed en de Geest van Christus
De catechismus is een troostboek. Wij moeten ook hier boven zetten: wat is uw enige troost, beide in leven en sterven? Dan gaat de catechismus dus hiervan uit, dat hij spreekt over de kerk van Christus. Dit is geen artikel, wat opgesteld is voor hypocrieten of meelopers, maar voor christenen, die inderdaad de enige Naam hebben lief gekregen en hun zonden hebben leren kennen en die daadwerkelijk tot God vluchten om verzoening van hun overtreding. Want, die doop zegt ons in de eerste plaats, dat ik van de onreinheid van mijn ziel gewassen ben. Die doop veronderstelt dus, dat ik onrein ben. U bent net zo dodelijk ziek als de melaatse, die daar liep te sterven buiten het leger. Dat zegt de doop. Ik ben in zonden ontvangen en in ongerechtigheid geboren. Ik kan in het rijk van God niet komen, tenzij ik opnieuw geboren word. Dat is het eerste wat de doop ons gaat leren.

In vraag 70 wordt ons gevraagd: Wat betekent dat: met het bloed en de Geest van Christus gewassen te zijn? Antwoord: Dat wij van God vergeving van de zonden hebben uit genade, om het bloed van Christus, dat Hij in zijn offer aan het kruis voor ons vergoten heeft. Verder ook, dat wij door de Heilige Geest vernieuwd en tot leden van Christus geheiligd zijn, opdat wij hoe langer hoe meer van de zonde afsterven en godvrezend en onberispelijk leven. Hier spreekt de onderwijzer van twee weldaden. Namelijk de rechtvaardigmaking of vergeving van de zonden, maar ook van de heiligmaking: door de Heilige Geest vernieuwd en tot lidmaten van Christus geheiligd te zijn. Twee weldaden, die nauw aan elkaar zijn verbonden. Vergeving van God uit genade te hebben, om het bloed van Christus wil. Hier is weer dat woord, niet krijgen, maar te hebben.

Zie, zegt Christus, zoals dat water de vuilheid van het lichaam wast, zo wast Mijn bloed u van uw zonden. Dan zegt de Vader: Mijn kind, Ik heb het toch beloofd, dat Ik je Vader wil zijn, wentel toch je weg op Mij en heb vrede. Dan zegt daar Christus: Ik bevestig het hier, zo waarachtig als Ik leef. Wees dan niet bekommerd over uw zonden maar werp ze op Mij, want Ik heb ze weggenomen in de rechtvaardigmaking voor het aangezicht van God. Dan bevestigt de Heilige Geest: Kunt u niet voort op de weg des levens; hebt u geen kracht om Gods gebod te onderhouden? Ik zweer u toch in dat teken van de doop, dat Ik het doen zal, leg uw hand slechts in Mijn hand en Ik zal u leiden op het smalle pad ten leven. Dat is in het kort gezegd, hetgeen God bedoelt, als Hij bij vernieuwing het verbond bevestigt in de bediening van de Heilige Doop. Rechtvaardigmaking en heiligmaking het zijn beiden weldaden, die ons in de Heilige Doop verzegeld en verzekerd worden. Door Christus op Golgotha is het pleit beslecht. Hij de grote Hogepriester heeft Zijn bloed gestort, maar nu past Hij het ook toe. Beveel Hem nu uw leven aan, geef Hem nu uw zondig hart. Telkens, als u ziet dat de doop bediend wordt, draag Hem dan uw verloren leven op en zeg: Heere, ik kan het niet, 'k heb het aan alle kanten geprobeerd, maar alles faalt. Maar U zegt het zelf en U hebt het eenmaal aan mijn voorhoofd verzegeld, dat U ook mijn God wilde zijn en dat wanneer ik in angst en nood tot U kwam, U mij horen zult. Nu dat doet het dierbaar heilvattend geloof! Dat vlucht tot het zegel, dat God gegeven heeft en tot het teken, dat God heeft voorgesteld.

De instelling van het sacrament
Zijn heilige lippen hebben het gezegd, dat het water Zijn bloed betekent en dat zoals het water de vuilheid van het lichaam wegwast, Zijn bloed ons verlost van de zonde. De Insteller van de doop was Jezus Christus zelf, de eeuwige God zelf. Gaat dan heen zegt Hij, onderwijst al de volken, hen dopende in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest. Nu komt het er op aan, of wij dat geloof hebben? Want wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden. Maar wie niet geloofd zal hebben, ook al was hij gedoopt, die zal verdoemd worden. Al zou het dan nog zo gering zijn in uw leven, als dit in waarheid in uw hart is, als er smart is in uw leven, dat u buiten God leeft, dat u midden in de dood ligt en dat het niet de schuld van Gos is, dat u zo verloren bent, maar dat het uw eigen schuld is, dan wordt u door de doop vermaand en verzegeld, dat u nu ondergegaan bent met Christus in Zijn dood. Maar, dat u ook met Hem opstaat in een nieuw leven. Hoe zwak het dan ook mag zijn in m'n leven en hoe bestreden die hoop, die in mijn hart gevonden wordt ook is, en hoe ellendig u zich ook voort sleept, dan zegt de Heere: Mijn kind, zie nu eens, u die zwak van moed bent en klein van krachten; zoals u dat water ziet neerdalen, zweer Ik het u. Is het dan nog niet genoeg, durft u dan Mijn Woord niet geloven, durft u het teken en zegel niet aannemen, wat Ik, de Eeuwige God heb ingesteld? Wantrouw God dan niet langer, maar zeg dan liever: Heere, ik geloof, maar kom mijn ongelovigheid te hulp. Staar ook met uw natuurlijk oog op dit water, opdat u telkens bevestigd zoudt worden en zeggen: Heere, U hebt het toch gezegd, ik klem me vast aan Uw getuigenis, laat me niet verloren gaan, ik hoop op Uw Woord; ik hoop op het teken en zegel van Uw genade.

De roep tot bekering en vernieuwing van het hart
Sta veel met uw schuldig hart aan de voet van het kruis. Staar veel naar Zijn met doornen gekroond hoofd. Zie veel op Zijn bleke gelaat, waar Hij Zichzelf gaf in de dood. Dan zal welhaast de harde en dorre akker van uw hart door de bloeddruppels van Zijn lijden en sterven week gemaakt worden. Dan zal welhaast de hardheid van uw hart smelten in die plas van Zijn bloed en ge zult al meer en meer, u aan Hem toevertrouwen en het leven van de heiligmaking zal ook meer en meer in u openbaar komen, in het afsterven van uw kunnen en kennen en in het hopen op Zijn genade alleen. En u, die nog moet zeggen, dat ken ik niet, die tedere vreze Gods, die mis ik en dat verbroken zijn. En die liefde heeft geen plaats in mijn hart. Onbekeerde, de doop roept u toe, elke keer weer opnieuw, wanneer deze bediend wordt: Ik heb geen lust in uw dood. Dan roept Christus u toe, wanneer dat water gesprengd wordt op het hoofd van een kind, zondaar, als u verloren gaat is het niet, omdat Ik u niet reinigen wil, maar dan is het, omdat u niet door het geloof u aan Mij wilt vastklemmen. Dan is het, omdat u iedereen en alles gelooft, behalve Mijn Woord. Dan is het, omdat u niet scheiden wil van de zonden en u liever de begeerlijkheden van het vlees hebt, dan het heil van uw ziel. Maar Christus betoont het telkens opnieuw: het is nòg niet te laat, dat betuigt dat doopwater. Zondaar, bedenk toch, u kunt zó niet voor God verschijnen. De wereld gaat voorbij met haar begeerlijkheid. Vlucht dan tot het bloed van het kruis, het druipt nu nog neer van Hem, die aan het kruis hangt. ga er dan onder zitten, als onder de dauw van de hemel. Zoek het bij dat Woord in het huis van God. Zie dan met uw oog op Hem, die genadig en barmhartig is en die het ook aan uw voorhoofd betekend en verzegeld heeft, dat Hij uw God wil zijn. Verlaat dan de zonde en bid Hem dan, eendrachtelijk en persoonlijk in de afzondering, om Zijn Geest. Die Geest, Die de kerk van de oude dag verwachtte, waarop de discipelen hoopten, toen ze samen waren in de opperzaal. De Geest, Die Hij gegeven heeft; die Geest, Die de kerk zal toebereiden als een reine bruid voor haar man Christus. Die Geest, Die ons meer en meer zal heiligen, totdat wij eindelijk met de gemeente van de uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden.


                         

















 


a

LOGO






Sola Scriptura