Logo
Oleh-Dara-Nya

 

        

 


 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

En als zij aten, nam Jezus het brood, en gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf het aan de discipelen, en zei: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam. En Hij nam de drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun die, zeggende: Drinkt allen daaruit; Want dat is Mijn bloed, het bloed van het Nieuwe Testament, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving van de zonden (Matheüs 26:26-28).

Antwoord 75:
 

Mat. 26:26-28; Mark. 14:22-24; Luk. 22:19, 20; 1 Kor. 10:16, 17; 11:23-25.

Antwoord 76: 

Joh. 6:35, 40, 47-54; Joh. 6:55, 56; Hand. 1:9, 11; 3:21; 1 Kor. 11:26; Kol. 3:1; Joh. 14:23; 1 Kor. 6:15, 17, 19; Ef. 3:16, 17; 5:29, 30; 1 Joh. 3:24; 4:13; Joh. 6:57; 15:1-6; Ef. 4:15, 16.

Antwoord 77: 

Mat. 26:26-28; Mark. 14:22-24; Luk. 22:19, 20.


Deze Zondag spreekt dus van het sacrament van het Heilig Avondmaal tot
gedurige voeding van de gelovigen


Drie hoofdthema's in deze bespreking
Wij zien het Heilig Avondmaal:
1.  Als een gedachtenis-maaltijd
2.  Als verenigings-maaltijd
3.  Als verzekerings-maaltijd

Inleiding
Onze God en Heere zorgt voor elke plant, elk dier en elk mens. Hij bepaalt de tijd van ons "zijn", maar ook de tijd van onze dood. Voor elk mens geldt dat. God bepaalt de tijd van onze geboorte en het uur van onze wedergeboorte. Hij geeft het leven en onderhoudt ook het leven. We bespreken nu het Heilig Avondmaal, als het sacrament van de gedurige voeding van Gods kerk. Want, nadat Hij ons heeft wedergeboren door het bad van de wedergeboorte, waarvan de Heilige Doop de betekende zaak is, voedt Hij ons ook elke dag opnieuw om dat nieuwe leven in stand te houden, zodat het vruchten draagt. Dat woord "Avondmaal" heeft in Gods woord een eigenlijke en een oneigenlijke betekenis. Wanneer er in Openbaringen 3 gesproken wordt van: Ik zal met hem Avondmaal houden en hij met Mij, dan heeft dat plaats in de oneigenlijke betekenis. Dan spreekt daar uit, de vertrouwelijke omgang, die God met diegenen hebben zal, die op Zijn kloppen de deur voor Hem zullen opendoen. Hij zal tot hem inkomen zegt Hij, en Avondmaal houden en hij met Mij. Er wordt ook van het Avondmaal van de bruiloft van het Lam gesproken. En in Openbaringen 19 lezen we dat ook de laatste dag, de oordeelsdag, genoemd wordt de dag van het Avondmaal van de Grote God. Dan wordt er dus oneigenlijk van het Avondmaal gesproken. In eigenlijk zin wordt ervan gesproken, als het genoemd wordt: de breking van het brood en ook wel: de tafel des Heeren, en zoals onze zondagsafdeling het noemt: het Heilig Avondmaal. Het wordt zo genoemd, omdat het in de avond van de dag is ingesteld, maar ook, omdat het heenwijst naar de voortreffelijkheid. Want in het oosten, waar het op het midden van de dag zo heet is, dat men er niet smakelijk eten kan vanwege de warmte, hield men de grote maaltijd voor 's avonds. Daar wordt dan ook het Heilig Avondmaal mee vergeleken, het is het grote maal, het voortreffelijke maal. Het is het maal, waar de beste spijzen en dranken worden voorgezet. Het is het maal, waar allen van het hele huisgezin van Christus aan deel moeten nemen. Waar ze een ogenblik aan het einde van een volbrachte dagtaak, mogen rusten aan de avondmaalstafel en een ogenblik mogen eten en drinken tot men verzadigd is, opdat de reis voor hen niet teveel zou zijn en zij verkwikt zouden worden om hun arbeid verder voort te kunnen zetten. Zo wordt het een avondmaal genoemd. De Zondagen 28 en 26 vertonen een duidelijke overeenkomst. Wanneer u de vragen en de antwoorden met elkaar vergelijkt, dan hoort u steeds dezelfde woorden. Hoe wordt u in de Heilige Doop er bij bepaald en ervan verzekerd, en hoe wordt u in het Heilig Avondmaal er bij bepaald en ervan verzekerd en in vraag 70, Wat is dat met het bloed en de Geest van Christus gewassen te worden. En in vraag 76, Wat is dat, het gekruiste lichaam van Christus eten en Zijn vergoten bloed drinken? Zo ook in vraag 71 en vraag 77. U ziet dus een duidelijke overeenkomst. Alleen met dit verschil, waar er gesproken wordt over de Heilige Doop, dan wordt er gezegd, dat daarin de offerande van Christus ons ten goede komt en waar er gesproken wordt over het Heilig Avondmaal, dan wordt daarin gezegd dat wij daardoor verzekerd worden van de gemeenschap met Christus. Dus de Doop komt ons ten goede. Dat laatste weten wij niet, dat gaat buiten ons om. In de zin van: Als wij als kinderen gedoopt worden weten wij niet, beseffen wij niet, wat daar gebeurt. We worden door onze ouders ten doop gehouden. We worden door Gods knechten gedoopt, maar wij hebben er geen weet van. Maar de onderwijzer zegt: Het komt ons ten goede, het is voor ons, namelijk, die naar Zijn naam genoemd zijn, weggelegd. Het is voor ons, "Zijn uitverkorenen" van tevoren beschikt, het zal ons zekerlijk toekomen, zegt de Doop. Het is voor ons weggelegd. Dat offer van Christus, dat komt ons dus ten goede. Maar, als er gesproken wordt over het Heilig Avondmaal, dan gaat het over het gemeenschap hebben met Christus. In de Doop dus "onbewust", maar in het Avondmaal "bewust". De Doop ondergaan we als klein kind, dan doet God iets in ons leven, zonder dat we het weten. Maar bij het Avondmaal mogen wij van onze zijde in die handeling bewust betrokken worden. Wij gaan, nadat wij tot ons verstand gekomen zijn, tot de tafel van het verbond en God leert en verzekert ons ermee, dat wij aan Zijn lichaam, en aan Zijn dood, gemeenschap hebben; dat het offer van Christus ons ten goede komt. Die gemeenschap oefenen wij in het Heilig Avondmaal. Wanneer er dan ook staat: Hoe wordt u in het Heilig Avondmaal daarvan verzekerd, dan zegt hij: Op deze wijze, dat Christus mij en alle gelovigen tot Zijn gedachtenis van dit gebroken brood te eten en deze drinkbeker te drinken bevolen heeft, en daarbij ook beloofd heeft. Wij lezen dus in dit antwoord van een bevel en van een belofte. Het bevel gaat voorop. Hij heeft het bevolen staat er, dit brood te eten en deze drinkbeker te drinken en Hij heeft daarbij ook beloofd. Bevolen en beloofd. Het bevel, zeg ik, gaat voorop. Dat heeft de onderwijzer er niet zomaar tussen gevoegd; dat is niet toevallig, dat hij eerst zegt: bevolen. Zo heeft Christus mij en alle gelovigen bevolen. Hier wordt dus onze behoefte uitgeschakeld, dat komt straks.

Ik beloof u, dat u aan deze weg, die Ik voor u betreden heb,
deel hebt, wanneer u komt om het te doen tot Mijn gedachtenis
Het gaat er dus niet om, hoe wij ons gevoelen als het Avondmaal bediend wordt. Hier gaat het er ook niet om, of wij onszelf geschikt of niet geschikt vinden om aan het Avondmaal te gaan. Hier staat heel gewoon: Christus heeft mij en alle gelovigen, tot Zijn gedachtenis, dit bevolen. Hij heeft mij dat bevel gegeven. Of ik nu een klein-gelovige ben of een sterk-gelovige of ik nu een bekommerde, hulpeloze ellendige ben, of dat ik er nu een ben die zegt: Ik weet, in Wien ik geloofd heb. De Heere zegt: dàt doet er niet toe, want een kind van een dag moet net zo goed gevoed worden als een grijsaard van tachtig jaar. We hebben allemaal voedsel nodig om niet te verkommeren. Zo zegt de onderwijzer het hier ook: Op deze wijze, Christus heeft mij en allen gelovigen dat bevolen tot Zijn gedachtenis. Niemand mag er vanuit gaan, dat zijn geloof te zwak is, maar ook niemand mag er vanuit gaan, dat hij boven de gemeenschap aan de tafel des Heeren is uitgegroeid. Want mij en alle gelovigen heeft Hij het bevolen. Het is het bevel van de Heere der Heeren. God heeft het bevolen! Er staat: "Tot Zijn gedachtenis". Hier willen we wel in het bijzonder aan denken. Tot Zijn gedachtenis. Hier staat niet op de voorgrond: Tot uw troost, tot uw voeding en tot uw versterking. Daar is het ook voor; maar hier staat in de eerste plaats, dit moeten we vasthouden, dit is het uitgangspunt, dat de Heere zegt: u moet het doen, om Mij daarbij te gedenken. Dus al zit u nu in de put, die zo diep is, dat u niet dan met moeite de opening boven u kunt zien, dan klinkt dat woord van Christus tot u in de eerste plaats. O, gelovige zondaar, dit moet u doen tot Mijn gedachtenis. U moet daarbij gedenken, wat Ik gedaan heb en wie Ik voor u ben. Dat gaat voorop. Dat moeten wij voor ogen houden, dat moet op de voorgrond staan. Tot Mijn gedachtenis van dit gebroken brood eten en van deze drinkbeker drinken.

Hij heeft ook nog iets beloofd: Ten eerste, dat Zijn lichaam even zeker voor mij aan het kruis geofferd en gebroken en Zijn bloed voor mij vergoten is, als ik met mijn ogen zie, dat het brood van de Heere voor mij gebroken en de drinkbeker mij gegeven wordt. Dus de eis voorop en dan, zegt de Heere, dan ook de belofte. Hij belooft, dat Hij zich voor mij geofferd heeft. Hij zegt: Als je nu tot Mij komt, om Mijn eer te bedoelen, om Mijn dood te verkondigen, om Mijn naam in het midden der gemeente uit te roepen, want dat doet u als u aan de bediening van het Avondmaal komt, dan bent u een stille prediker van Jezus Christus. Dan roept u door dit komen tot de tafel, de wereld toe: Dit heeft Christus gedaan! Nu, zegt de Heere, als u dat nu doet, als u nu aan die tafel komt om Mij te eren, tot Mijn gedachtenis, dan beloof Ik u, dat u deelgenoot bent van het heil, wat Ik in Mijn bitter lijden en sterven voor u verworven heb. Dan gaat er een stille prediking uit van dit gebroken brood en deze vergoten wijn. Want wat een bittere weg heeft dat brood moeten afleggen, om door ons genuttigd te kunnen worden. En wat een bittere weg is de wijn gegaan, eer zij ons sterken kan. Immers het tarwegraan moet eerst in de aarde vallen en dan sterven. En als het dan opgewassen is, dan moet het afgesneden worden. Dan moet het gedorst worden. Dan moeten de graankorrels vermalen worden en eindelijk in de hete oven gebakken worden om dan alsnog verbroken te worden. Dan is het geschikt tot voeding van mijn lichaam. Nu, zegt de Heere Jezus: Ik beloof u, dat u aan deze weg, die Ik voor u betreden heb, deel hebt, wanneer u komt om het te doen tot Mijn gedachtenis. Want, zegt Hij, zo ben Ik ook dat grote Tarwegraan in de aarde geworpen, Ik ben gestorven, Ik ben afgemaaid uit het land van de levenden. Ik ben gedorst door de vurige wet van God. Ik ben gebakken in de oven van Gods toorn, zodat Mijn vlees en beenderen vaneen gescheurd werden. Ja, zegt Hij: Ik ben ten laatste verbroken aan het kruis, voordat Ik uw zielen tot voeding kon zijn. En als we dat nu overdenken; als wij nu in de eerste plaats vóór alles gaan overdenken de weg van het tarwegraan, de weg die Jezus Christus ging om onze ziel te kunnen redden van het gewis verderf, zou dan ons hart zich niet neerbuigen in ons. Zouden we dan niet geheel gewillig zijn om, al stierven we aan Zijn voeten, Hem de eer te geven. Zouden we dan in de overdenking van dat bittere lijden niet uitroepen: Mijn God, U zal ik eeuwig loven, omdat Gij het hebt gedaan.

Zo ook met de wijn. De druivetrossen, als ze rijp geworden zijn, worden afgesneden en geworpen in de wijnpersbak, om vertreden te worden. Zie dan, zegt Jezus: Ik ben afgesneden uit het land van de levenden, van voor het aangezicht van de Heere en geworpen in de wijnpersbak van Gods grote toorn. Ik ben vertreden, totdat het bloed, Mijn levenskracht op de aarde is weggevloeid. Mijn bloed is vergoten, om u te verkwikken te midden van uw ellende. Als we dat overdenken, dan zal onze ziel verlangen om daar gedachtenis van te vieren in het midden van de gemeente. Ja, zegt Hij: Ik voor u, daar u anders de eeuwige dood had moeten sterven. Dat brood van de Heere, voor mij gebroken en de drinkbeker mij aangereikt. En Ten tweede, dat Hij zelf met Zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed mijn ziel even zeker tot het eeuwige leven voedt en verkwikt, als ik het brood en de drinkbeker van de Heere (als betrouwbare tekenen van Christus' lichaam en bloed) uit de hand van de dienaar ontvang en met de mond geniet. Dus Hij spijst ons tot het eeuwige leven. Dit is een voorsmaak, dit is een plekje hemel op aarde. Aan te zitten aan de tafel van het Verbond, is iets van de hemelse vreugde proeven. Ik weet wel, dat is niet altijd even sterk en levend in ons hart. Het gebeurt ook menigmaal, dat we de voedende kracht van deze spijs en drank, hier aanzittend aan de tafel niet ervaren. Het gebeurt ook vaak, dat we teleurgesteld afgaan van de tafel van het Verbond en dat het onze droefheid vermeerdert, aangezeten te hebben, met de gelovigen, rondom Christus' gebroken lichaam en Zijn vergoten bloed en de kracht van deze maaltijd niet te hebben ervaren. Maar laten wij wachten, want dat brood doet altijd zijn kracht en die wijn geeft altijd zijn verheuging. Is het misschien niet op het ogenblik dat u aanzit, dan is het morgen of volgende week. Ja, misschien ervaart u de kracht van de voeding pas later, wanneer u thuis bent en dan zult u uw God prijzen, dat u Hem niet hebt verloochend in het midden van de gemeente. Dan zult u tot meerdere eer van het Lam roemen, dat u hier op aarde reeds, terwijl u er zelf de vrucht niet van smaakte, toch Zijn dood hebt mogen verkondigen.

Daarnaast, door de Heilige Geest, Die èn in Christus èn in ons woont,
zo met Zijn heilig lichaam steeds meer verenigd worden
Dan vraagt de onderwijzer in vraag 76, wat betekent dat: het gekruisigd lichaam van Christus eten en zijn vergoten bloed drinken ? Dan geeft hij als antwoord: Het betekent niet alleen met een gelovig hart het gehele lijden en sterven van Christus aannemen en daardoor vergeving van de zonden en het eeuwige leven verkrijgen. Dus, dat is het ook! Maar dat is het niet alléén, zegt de onderwijzer. Hij zegt: wat betekent dat: het gekruisigd lichaam van Christus eten wanneer ik het zo uitdruk? En dan zegt hij: niet alleen met een gelovig hart het gehele lijden en sterven van Christus aannemen en daardoor vergeving van de zonden en het eeuwige leven verkrijgen, let u er dus op. Hier staat dus: Hoe krijg ik vergeving der zonden? Dat is nu de vraag, die elke keer weer opnieuw opklinkt uit het hart van een kind van God. Is dat niet de vraag van het moegestreden hart? Maar het staat hier zo heel eenvoudig. Wanneer ik met een gelovig hart, het lijden en sterven van Christus aanneem. Door dat "aannemen" van dat lijden en sterven ben ik zalig, worden mijn zonden weggenomen. Daardoor, zegt de onderwijzer, verkrijg ik vergeving van zonden en het eeuwige leven. Dat is het dus. En nu vervolgt de onderwijzer: Maar ook daarnaast, door de Heilige Geest, Die èn in Christus èn in ons woont, zo met Zijn heilig lichaam steeds meer verenigd worden. Hier noemt hij dus de rechtvaardigmaking, de verzoening van onze zonden door het aannemen van het lijden en sterven van Christus en in de heiligmaking. Wij komen dus aan de bediening van het Heilig Avondmaal, om hoe langer hoe meer, met Hem verenigd te worden. Als we de verzoening van onze zonden, in het aannemen van het lijden en sterven van Christus, proeven mogen; dan zijn we niet klaar, dan begint het pas! Dan kunnen we pas beginnen om echt voor God te gaan leven. Dan vangt eigenlijk pas het ware leven van de dankbaarheid aan. Als die zoete vrede als vrucht van dat kruislijden van Christus in ons hart mag afdalen, dan worden we door Gods Geest bekwaamd, om voor Hem te leven. Dan komen we dus aan het doel van ons leven. Dat is om vruchten te mogen dragen. Nu zegt hij, dat gaat nu meer en meer door Zijn Heilige Geest. Met Zijn heilig lichaam hoe langer hoe meer verenigd te worden, dat is het doel in de weg van de heiligmaking. Dat is dus de "dagelijkse" bekering. Omdat Hij dan leeft, kan ik sterven. Om nu uit die opgestane Christus bediend te worden. Om nu meer en meer Hem gelijkvormig te worden, hier in Zijn lijden en sterven, dat is nu de bedoeling van het Heilig Avondmaal. Christenen, die jaar op jaar aan het avondmaal komen en die niet ootmoediger worden en lijdzamer en handelbaarder worden, voor God en hun naaste, zijn niet de christenen van de Bijbel, die de onderwijzer op het oog heeft. Want het kan niet anders, dat, wie Christus is ingeplant door een waar geloof, ook vruchten zal voortbrengen, van geloof en bekering, waardig. Die zal met Zijn heilig lichaam, hoe langer hoe meer verenigd worden. U moet bedenken, dat, die zelfde Heilige Geest, die in Christus woont, óók in ons woont.

Wij krijgen Zijn "gegeven" lichaam
en Hij heeft die drinkbeker ons aangereikt
In vraag 77 van deze Zondagsafdeling vraagt de onderwijzer: Waar heeft Christus beloofd, dat Hij de gelovigen even zeker met Zijn lichaam en bloed wil voeden en verkwikken, als zij van dit gebroken brood eten en uit deze beker drinken ? Christus heeft dat beloofd, zegt de onderwijzer, toen Hij het Avondmaal heeft ingesteld in die laatste nacht van Zijn leven. Toen heeft Hijzelf het brood genomen en heeft Hijzelf de drinkbeker genomen en dat brood heeft Hij mij en alle gelovigen gegeven. Wij krijgen Zijn "gegeven" lichaam en Hij heeft die drinkbeker ons aangereikt. Daarbij heeft Hij ons vriendelijk toegeroepen: Neemt, eet; dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt. En toen Hij de drinkbeker ons aanreikte, zei Hij: Drinkt allen daar uit. De discipelen hebben het toen nog niet begrepen. Wat begrepen ze toen van de dood van Christus? En toch nemen zij deel aan de bediening van het Avondmaal. Later, zal die bediening pas de voedende kracht geven. Maar toch heeft de Heere het al met Hem voor hen ingesteld . Zij hebben het uit Zijn hand ontvangen. Daarna heeft Hij de beker gedronken, die Hem de Vader heeft opgelegd, vol van gal en vol van alsem, opdat Hij ons de beker van reine wijn zou aanreiken. Zodat wij met mond en hart genieten zouden. Christus in de dood vernederd, als dàt in ons leven werkelijk leeft, ach, dan komen we aan door 't goddelijk licht geleid!

Heden, indien gij Zijn stem hoort, verhardt toch uw hart niet !
Wanneer u dan, lezer, die vrijmoedigheid niet hebt te naderen tot de tafel van de Heere en moet zeggen, het is niet voor mij. Overdenk dan eens uw vervloeking en hoe hopeloos ongelukkig u bent, maar overdenk dan ook eens wat nu dat Avondmaal betekent. Welke weg dat graan gegaan is, eer dat het ook voor u tot brood hier kon worden ten toongesteld. Ga nu eens denken aan het lijden en aan het sterven van de Heere Jezus Christus. Ga eens overdenken, wat Hem bewogen heeft om in de dienst van het Woord aan uw knieën te gaan liggen, want dat doet Jezus. Jezus knielt voor u en Hij bidt aan de deur van uw hart en dan moet u, uzelf maar eens afvragen: Heere, waarom doet u dat toch, waarom buigt u zich toch in het stof voor mij? U, de eeuwige God, aan de voeten van een zondaar, om te smeken: Heden, indien gij Zijn stem hoort, verhardt toch uw hart niet. Want dat Woord en dat Avondmaal heeft ook iets tot u te zeggen. Dat Avondmaal roept u luid toe: Als u Mijn vlees niet eet en Mijn bloed niet drinkt, dan hebt u geen gemeenschap aan Mij. Hoort u het? En is dat niet ontzettend, het bloed van Christus nièt drinken en Zijn vlees nièt eten en dan geen gemeenschap te hebben aan Christus? Weet u wat dat zeggen wil? Dat wil dus zeggen dat u buiten Christus bent en een vriend van de duivel, wanneer u het vlees van Christus niet eet en Zijn bloed niet drinkt. Kiest dan heden die u dienen wilt. Maar, dat u uw hart eens voor Hem bloot legde, en voor het eerst of bij vernieuwing als een "zondaar" komt. Een zondaar, die Jezus niet missen kan. Dat u dan nu kunt en durft zeggen, uit de grond van uw hart: Heere, op U verlaat zich de arme, want U bent een helper van de wees. Heere, tot U vlucht ik.

                          

















 


a

LOGO






Sola Scriptura