Logo
Oleh-Dara-Nya

 

        

 


 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik ben het levende brood, dat uit de hemel neergedaald is; als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. En het brood dat Ik geven zal, is Mijn vlees, dat Ik geven zal voor het leven van de wereld. Jezus dan zei tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als u het vlees van de Zoon des mensen niet eet en Zijn bloed niet drinkt, hebt u geen leven in uzelf. Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven, en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag. Want Mijn vlees is het ware voedsel en Mijn bloed is de ware drank (Johannes 6:51; 53-55).

Antwoord 78:
 

Mat. 26:29; Ef. 5:26; Tit. 3:5; 1 Kor. 10:16; 11:26; Gen. 17:10, 11; Ex. 12:11, 13; 12:26, 27; 13:9; 24:8; Hand. 22:16; 1 Kor. 10:1-4; 1 Petr. 3:21.

Antwoord 79: 

Joh. 6:51, 53-55; 1 Kor. 10:16.


Deze Zondag spreekt ons van het avondmaal als het lichaam en bloed
van Christus


Drie hoofdthema's in deze bespreking
1.
 Wat Rome er van maakt
2.  Wat Gods Woord er van zegt
3.  Wat Gods kinderen er in vinden

Inleiding
Wanneer wij die strijders op de achtergrond zien, Zwingli ontkent de"verzegelende kracht" van het Heilig Avondmaal, Luther die zegt: we eten en drinken het lichaam en bloed van onze Heere Jezus Christus. Dan begrijpt u wel, waarom onze gereformeerde belijders, onze vaderen, zo breedvoerig geweest zijn in de verklaring van het sacrament van het Heilig Avondmaal. Calvijn immers, die de diamant, door Luther opgegraven, weer geslepen heeft, heeft ons weer een juist inzicht gegeven in de sacraments-leer, ons de juiste betekenis van het sacrament van het Heilig Avondmaal tegen Zwingli en anderzijds ook tegen Luther en nog veel meer tegen Rome, weer in het zuivere licht gesteld. Als er dan gevraagd wordt in vraag 78: Worden dan brood en wijn werkelijk veranderd in het lichaam en bloed van Christus? Dan bedoelen onze opstellers dit in de eerste plaats tegen Rome, want Rome antwoord hier gul "ja" op. Brood en wijn worden het lichaam en bloed van de Heere Jezus Christus. Maar de opstellers van de catechismus zeggen "Nee"; dat brood en die wijn worden het lichaam en bloed van Christus niet. Maar, wat is dan eigenlijk het verschil tussen de Reformatie en Rome? Het verschil is niet of Christus wel werkelijk in het Heilig Avondmaal tegenwoordig is, want dat zouden wij niet graag ontkennen. Het Heilig Avondmaal zou zonder dat, geen enkele betekenis meer hebben. Dus het gaat er niet om, of Christus bij het Avondmaal tegenwoordig is, daar zeggen we volmondig "Ja" op. Zoals Rome en Luther "Ja" zeggen, doen ook wij dat van harte. Maar het gaat er om, "hoe" is Christus tegenwoordig, wanneer het Heilig Avondmaal bediend wordt? Ook is de vraag nog niet of brood en wijn enige verandering ondergaan bij de bediening van het Heilig Avondmaal. Niet, dat de substantie van brood en wijn, als zodanig verandert, maar wanneer dit brood en die wijn worden afgezonderd voor de bediening van het Heilig Avondmaal, krijgen zij dus de betekenende en verzegelende kracht. De Luthersen, zoals al gezegd, hielden vast aan: Dit ìs Mijn lichaam, angstvallig tegenover Zwingli; Luther zegt: Christus is lichamelijk met vlees en bloed, onder de tekenen van het Avondmaal tegenwoordig. Nee, hij verwierp de Roomse leer van de mis. Daar wilde ook Luther niets van weten. Hij wilde de offergedachte niet, die bij Rome heerst, maar Luther zegt: zoals het vuur het ijzer doorgloeit, zo doorgloeit nu ook Christus met Zijn lichaam en bloed dat brood en die wijn. Noodzakelijk, moet Luther dan ook komen tot de stelling, dat het lichaam van Christus "overal tegenwoordig" geworden is, waar het Avondmaal bediend wordt en hiermee berooft hij toch eigenlijk zichzelf en zijn volgelingen van de troost. Want wij weten, dat Zijn lichaam en bloed in de hemel is en als men nu zegt, dat het lichaam en bloed "overal tegenwoordig" is, dan is dus dat lichaam van Christus "vergoddelijkt". Want alleen de goddelijke natuur is overal tegenwoordig.

Dat we bij brood en wijn ons betrouwen stellen,
op de enige offerande van Jezus Christus
Rome zegt, dat, wanneer de priester die vijf woorden uitspreekt in het Latijn: Want dit is Mijn lichaam, dat dan bij het versterven van de klank van het laatste woord, ook tegelijkertijd dat brood in Christus' lichaam en die wijn in Christus' bloed veranderd wordt. En dat is eigenlijk het ergste, dan zegt Rome: dan "offeren wij Christus weer opnieuw als een offer voor onze zonden". Dat eerste is erg, maar het tweede is erger. Zouden ze het nog maar bij het eerste gelaten hebben, maar ze hebben gezegd: wij gaan Christus weer offeren. Dus wat gebeurt hier? Men ontkent daarmee dus de volkomen genoegzaamheid van die enige offerande. Daarmee zegt men dus eigenlijk: die gerechtigheid, die Christus aangebracht heeft, kunnen we niet missen, maar het is toch niet genoeg. Dat houdt verband met heel Rome's eredienst. Rome wil alles zien, alles tasten. Zij willen de vergeving van de zonden horen uit de mond van de priester in de biecht. Zij willen Christus met de mond eten. Zij kennen de geloofsgemeenschap niet. Zij kennen niet het vergeven van de zonden "door het geloof". Zij gevoelen niet de troost van de Heilige Geest. Omdat ze het waarachtig geloof niet kennen, wat ons aan God verbindt, nemen ze het offer, het tastbare offer in de vorm van een ouwel, opdat er toch maar niets van dat lichaam van Christus verloren zou gaan. En de wijn wordt door de priester alléén gedronken, opdat er toch maar geen enkele druppel gemorst zou worden van dit bloed van Jezus Christus. Ook daarin dwaalt Rome, als het de gemeente de beker onthoudt, de troostbeker van het Nieuwe Testament, waar Christus zo nadrukkelijk van gezegd heeft: drinkt allen daaruit.

In plaats, dat Rome zijn hart naar omhoog heft, naar Christus opheft, die in de hemel is, halen ze Christus naar beneden, in het zichtbare. Dat doet Rome altijd! Hoe Rome hiertoe gekomen is? Dat is wel te herleiden tot de eerste liefdemaaltijd. In het begin van de christelijke kerk, van de nieuw testamentische kerk, hield men dagelijks "liefde maaltijden". Dan kwam men samen en men bracht van alles mee, geld, maar ook wel in natura, brood en kaas, wijn en vlees en al wat eetbaar was. Men bracht dat dan aan de voeten van de discipelen. Later aan de voeten van de diakenen. Aan 't eind van die maaltijden, van die liefdemaaltijden, nam men van dat brood en van die wijn, wat dan nog overgebleven was, en daarmee hield men dan het Avondmaal. Nu is de gedachte ingeslopen, na enkele tientallen jaren zien we dat al, dat hetgeen, waarmee men het Avondmaal vierde "mijn gave" was. Ik bracht dus iets mee. Daar lag het begin al weer van de offergedachte. Mijn brood en mijn wijn, wat ik hier ter tafel breng. Dat gaan we nu gebruiken in het heilig sacrament. In de dertiende eeuw op het lateraans concilie is het besloten, als een dogma aangenomen en het concilie van Trente in 1550 gehouden, heeft vervloekt al degenen, die niet erkennen, dat het brood waarlijk het lichaam en de wijn waarlijk het bloed van Jezus Christus wordt. Rome behoeft dus niet te denken, dat zij met deze offerande terug kan grijpen op de instelling van Christus, want zelfs in de eerste twaalf eeuwen, heeft de kerk dat pertinent niet geleerd. Pas omstreeks de dertiende eeuw, in 1550 is het vastgesteld en de vloek uitgesproken tegen degenen, die zich daaraan niet wilden onderwerpen. Wij zien dus een ontwikkeling in dat offer-idee in de kerk van Rome tot aan de dag van de reformatie. Toen heeft God de reformatoren licht gegeven, daarin, dat Christus met één offerande in eeuwigheid volmaakt heeft al degenen, die door Hem tot God gaan.

De Heere is de grote Gastheer, wanneer het avondmaal wordt aangericht
Zien we wat het woord van God er verder van zegt. Zeker, de Heere heeft gezegd; die Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven. Natuurlijk kan Christus daar niet mee bedoeld hebben Zijn vlees en Zijn bloed, want Hij lag aan de tafel en Hij heeft geen stuk van Zijn vlees genomen, maar Hij heeft brood genomen en Hij heeft geen bloed uit Zijn aderen laten vloeien, maar de drinkbeker genomen, die daar voorhanden was en gezegd, terwijl Hij daar in levende lijve aanlag; dat brood is Mijn lichaam en die wijn, dat is Mijn bloed.

Christus noemt het brood Zijn lichaam en de drinkbeker Zijn bloed of het Nieuwe Testament in Zijn bloed. En Paulus, de gemeenschap van het lichaam en bloed van Christus. Waarom doet de Heere dat dan, als er z'on misbruik van gemaakt zal worden? Had dan beter deze spreekwijze niet achterwege kunnen blijven, als dat de oorzaak zou zijn van zoveel twist? Ach, nee, Christus spreekt zo niet zonder grote oorzaak, wanneer Hij zegt: Dat brood, dat wij breken, is Mijn lichaam. Dan bedoelt Hij: Dit betekent Mijn lichaam; zoals Hij ook reeds spreekt in het Oude Testament van de rotssteen en Paulus dat aanhaalt en zegt: de Rotssteen, waar het water uit vloeide, wàs Christus. Niemand zal in zijn gedachten krijgen, om daar Christus in Zijn menselijke natuur in te zien. Wanneer Paulus zegt, dat die rotssteen Christus was, dan weet iedereen, dat die rotssteen Christus afbeeldde. En toch heeft de Heere die spreekwijze vastgehouden, niet zonder grote oorzaak, namelijk, om ons daarmee te leren, dat zoals brood en wijn dit tijdelijk leven onderhouden, zo ook Zijn gekruisigd lichaam en Zijn vergoten bloed de waarachtige spijs en drank zijn, waardoor onze zielen tot het eeuwige leven worden gevoed.

De Heere gaat ons dus hierdoor wat leren. En wat gaat Hij ons dan leren? De Heere is hier de grote Gastheer. Wanneer het avondmaal wordt aangericht, buigt Jezus Zich neer door Zijn Heilige Geest in ons midden en dan staat Hij hier Zelf aan de tafel en dan zegt Hij: Mijn kinderen, Ik weet wel, dat u zwak van moed en klein van krachten bent en Ik wil uw zwakheid te hulp komen. Ik weet, u wilt iets tastbaars en zichtbaars, want u bent vlees en bloed. U leeft nog in de "zienlijke wereld". Nu, zegt de Heere, Ik wil tot u afdalen. Luister nu, zoals uw tijdelijk leven telkens gevoed moet worden door aardse spijzen om in stand gehouden te worden, welnu, hier is dan Mijn lichaam. Ik geef het u en zo waarachtig, als nu uw aardse lichaam in stand gehouden moet worden door aardse spijzen, zo wordt nu ook uw ziel en lichaam geestelijk in stand gehouden door Mijn gekruisigd lichaam. Met nadruk het "gekruiste lichaam", want dat houdt meer in, dan dat Hij zeggen zou: Dit is Mijn lichaam. Dat gekruiste lichaam ziet op Zijn borggerechtigheid. Dat ziet op de verbreking van Zijn lichaam door Gods gerechtigheid. Dat ziet op het ondergaan in toorn, in de kolkende afgrond van Gods recht. Dat vergoten bloed ziet op de grote liefde van de Vader, waarmee Hij ons liefgehad heeft. Dat, eer Hij ons aan de eeuwige dood ten prooi gaf, Hij Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft. Hoe groot is dan het onderwijs, dat God ons geven wil. Tot versterking van het 't geloof, maar, dat is het niet alleen, zegt de onderwijzer: maar vooral om ons door deze zichtbare tekenen en panden ervan verzekeren, dat wij zo werkelijk door de werking van de Heilige Geest deel krijgen aan Zijn ware lichaam en bloed, als wij deze heilige tekenen met de lichamelijke mond tot zijn gedachtenis ontvangen, en dat al Zijn lijden en gehoorzaamheid even zeker ons deel zijn, alsof wij in eigen persoon voor onze zonden alles geleden en onze schuld aan God hadden voldaan.

God Zelf geeft kracht uit dat Heilig Avondmaal
God zegt: Dit deed Ik voor u. Dat moet u niet vergeten, want gelijk veel graankorrels gemalen en van het meel één brood gebakken wordt, zo zijn ook de gelovigen samen één lichaam en gelijk vele druiven uitgeperst, samen één drank vormen, zo zijn ook Gods kinderen één, als het lichaam van Jezus Christus. Wat een machtige spraak gaat er dan van het Avondmaal uit. De gemeenschap van de heiligen wordt daar beoefend. Het is niet alleen de gemeenschap aan Christus, maar ook de gemeenschap aan elkaar. Sterkt, die bediening van het Avondmaal, ons wel om in onze dagelijkse omgang onze naaste meer en meer lief te hebben? Steeds meer elkaars heil en zaligheid voor te staan en te zoeken? Gaat daar, in de praktijk van ons leven, ook nog kracht van uit? Of roddelen we maar raak over elkaar, wanneer we het met elkaar niet eens zijn? Dat is ook een "onwaardig eten en drinken", wanneer u met uw broeder of zuster in onmin leeft, of wanneer u hem of haar in uw hart haat. Al zegt u het dan ook niet. Want, zoals die wijn samengevloeid is tot één en zoals die graankorrels samengemalen zijn en tot één brood gebakken, zo zijn ook wij één in Christus. En de hand kan tot de voet niet zeggen, ik heb u niet nodig. De Heere heeft al de leden van Zijn lichaam een eigen taak gegeven, opdat ze samen zouden zijn het lichaam van Christus. Dit hebben we telkens nodig. Want al is het waar, dat we verzekerd kunnen zijn van de weldaad, dat God ons onze zonden vergeven heeft, de strafwaardigheid blijft toch ons hele leven, tot aan onze dood. We blijven "strafwaardig", daar komen we nooit boven uit. Waarom niet? Wel, omdat we hier nog niet "totaal" vernieuwd zijn. We hebben maar een klein beginsel van dat nieuwe leven. Telkens verbreken we de gemeenschap met God door de zonde. Telkens vallen we weer in de modder van onze ongerechtigheid. Telkens bedroeven we de Heilige Geest. Telkens dwalen we weer als trouweloze schapen van de herder af. Maar, dan komt ook telkens en telkens de Heere ons weer saam te roepen. Opdat we elkaar onze zonden belijden zouden en opdat we ook met elkaar onze zonden voor God zouden belijden. En niet alleen dat is daarin te vinden, maar ook sterkte en kracht. Want, zoals Israël in het Pascha niet alleen een teken zag van de verlossing door het Lam, zo mochten zij ook door het Pascha gesterkt worden. Dat is ook de bedoeling van het deelnemen aan het Heilig Avondmaal, dat het ons sterkte geeft in het verdere van onze levensreis.

Gods kinderen zijn rein, zoals Jezus rein is
In ons laatste punt willen we behandelen "wat Gods kinderen er in vinden". De onderwijzer zegt het zo eenvoudig: en dat al Zijn lijden en gehoorzaamheid even zeker ons deel zijn, alsof wij in eigen persoon voor onze zonden alles geleden en onze schuld aan God hadden voldaan. Als dat Avondmaal bediend wordt en wij werkelijk, als een door onze zonden geslagene, als een hulpeloze, als een hongerige naar Gods gerechtigheid, aangaan, dan zegt de Heere: Dit geef Ik u in het strijdperk van dit leven, dit is de handslag op het verbond. Ik geef het u, zoals u het met het oog ziet en met de mond smaakt. Zo waarachtig ben Ik voor u gestorven, zo waarachtig heb Ik al uw schuld betaald. Ja, zo waarachtig staat u nu rein voor God, alsof u zelf in de eeuwen eeuwigheid in de hel de straf gedragen had. En, alsof u al de geboden van de wet volmaakt onderhouden hebt. Dat vindt Gods kind er ook in. In de geringste oefening van het zaligmakend geloof, ligt iets van die vastigheid: dat ik rein ben voor God! Nooit zal ons hart verbreken, zo we niet in beginsel wisten, dat onze zonden bij God verzoend waren. Nooit, nooit zouden we enige liefdesbetrekking op God hebben, wanneer we niet gevoelden, dat Hij een bereidwillend vergevend God is. Nooit zouden we onder de verdrukking van God roepen om genade, indien we in ons hart niet enigszins verzekerd waren, dat Israëls Koning een "goedertieren koning" is. Als dat er in ons leven niet is, vluchten we niet naar God. Al had u de benauwdheid van Kaïn, Saul en Judas bij elkaar, dan vluchtte u met al uw benauwdheid toch niet naar God. Maar het gezicht op een verzoend en een barmhartig God, een God, die de zonde vergeeft, dat doet ons vluchten tot God. Bedroeft dan de Heilige Geest Gods niet, die ons als een zegel gegeven is, tot een onderpand van onze verlossing. Dat tot een zichtbaar teken gegeven is, tot een pand, zegt de catechismus, om ons te verzekeren. De Heere zegt: Ik weet het wel, u wilt net als Maria, Mijn voeten vatten en u zoudt Mij zo graag in uw armen sluiten en zo graag Mijn discipel zijn en Mij zien met uw ogen. Maar hier, zegt Jezus, geef Ik u een pand, zoals u nu dat brood en dat slokje wijn ontvangt, zo geef Ik Mijzelf aan u, als een pand. Hij is juist gekomen voor degenen, die het onwaardig zijn en voor degenen, die geen gerechtigheid meer hebben in zichzelf, die bekennen dat ze midden in de dood liggen. Meer hebt u niet nodig. Maar die gelooft, dat God een goedertieren God is, Die om Christus de zonden vergeven wil, hoe groot ze dan ook zijn, die mag menigmaal aan de dis van het verbond de rijkdom ervaren, alsof ik zelf voor al mijn zonden betaald had en nooit van God was afgevallen. Zo rein, of ik nooit gezondigd had.

Gods kinderen zijn rein, zoals Jezus rein is. Niet met een natuurlijke reinheid, maar door de reinheid van Christus. We zijn rechtvaardig voor God, doordat Hij de pers getreden heeft en rein voor God, omdat Hij met Zijn vlekkeloze onschuld onze zonden voor God bedekt heeft. Wat zal ons dan nog scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus? Dan krijgen we kracht om ook de laatste stappen door de woestijn af te leggen, met dat voedsel in onze mond, met die drank in ons lichaam, dan krijgen we geestelijke kracht. Weet dat Hij ons nooit verlaten zal; dan mogen stormen woeden, dan mag de zee met haar golven bruisen, maar dan is onze God machtiger dan het gebruis van de wateren. Dan is Hij gezeten boven de vloed van de wateren. Laat dan de dood maar komen, laat dan satan zijn laatste kracht aanleggen, maar zo God vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Laat dan de Jordaan daar heen vloeien, dan gaat die meerdere Jozua voor ons aangezicht heen en maakt Hij een pad, waar Hij ons droogvoets door leidt. Opdat we straks, aan die andere zijde van de Jordaan onze voeten mogen zetten op die gouden stranden van de eeuwigheid en rein zullen staan voor God, met onze Jezus. Omdat Hij in mijn plaats dood geweest is, leef ik eeuwig door Hem en met Hem.


















 


a

LOGO






Sola Scriptura