Logo
Oleh-Dara-Nya

 

        

 


 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Antwoord 6.  Gen. 1:31; Gen. 1:26, 27; Ef. 4:24; 2 Kor. 3:18; Kol. 3:10.

Antwoord 7.
  Gen. 3; Rom. 5:12, 18, 19; Ps. 51:7; Joh. 3:6.

Antwoord 8.  Gen. 6:5; 8:21; Job 14:4; 15:14, 16, 35; Jes. 53:6; Joh. 3:3, 5; 1 Kor. 12:3;
2 Kor. 3:5.

Deze derde Zondag spreekt ons over de oorsprong van de ellende

1.
 Over onze goede schepping.
2.  Over onze ellende, ondanks de goede schepping, door de rampzalige val tot een totale verdorvenheid.

Inleiding
Het zijn grote vraagstukken waarmee de wijsgeren van deze wereld al eeuwen bezig zijn hun verstand te pijnigen. Het probleem van de zonde, van de ellende met de hele nasleep daaraan verbonden, heeft God aan zijn kinderen klaar en duidelijk geopenbaard. Wat de wereld nog steeds aan het zoeken is, dat heeft God in het midden van Zijn gemeente duidelijk neergelegd. Hij heeft ons in allerlei toonaarden toegeroepen: Mens, deze hele ellende met al zijn gevolgen, ziekte en dood met al wat erbij hoort en wat er achteraan sleept, dat komt door uw schuld, de door u gemaakte schuld.

We zijn onze heerlijke staat door de zonden kwijt geraakt
Het is niet zo dat de zonde, de ellende, toevallig in deze wereld gekomen is. God zegt: Nee, mens, u komt niet uit de diepte, u stamt niet af van andere wezens, maar u komt uit de hemel. Wij zijn van Gods geslacht. Ue komt niet uit de diepte en u hebt niet langs de weg van evolutie verkregen wat u nu bent. Maar u komt uit de hoogte, u bent van boven, u kwam van God en u bent gevallen, u bent uw heerlijke staat door de zonden kwijt geraakt en daarom leeft u met al uw medemensen in die dorre zandwoestijn van deze wereld. En, zegt God, het zal nog steeds erger worden. Lees maar in het boek van de “Openbaringen”. De mensen zullen God openlijk lasteren, vanwege de plaag. En de mens van de zonde zal zich tegen God verheffen en zich in de tempel van God, als God verheffen. De haat, waarmee elk mensenhart van nature vervuld is, die zal duidelijk geopenbaard worden. Lees het maar in het woord van God. De mens is niet geworden door de weg van de evolutie. Tot de wet, zegt God, en tot de getuigenis! als ze niet spreken naar dit woord, ze zullen geen dageraad hebben (Jes.8:20).

God heeft de mens goed en naar zijn beeld geschapen
Laat ons als kinderen van het licht in het licht wandelen, dat God ons ontstoken heeft. Wandelt dan in het licht, zegt Jezus, terwijl dat u het licht hebt (Joh.12:35). Laat ons samen dan zoeken in dat licht te onderzoeken de oorsprong van onze ellende. Dan zegt de catechismus: Heeft God de mens dan zo slecht en verkeerd geschapen? Nee, God heeft de mens goed en naar zijn beeld geschapen. Goed, dat wil niet alleen zeggen, dat het kwaad in hem ontbrak. Ook dàt. Maar veel meer. Maar als hier staat: God heeft de mens goed geschapen, dan vult de onderwijzer dat ook aan: en naar Zijn evenbeeld. Want hij is naar Gods evenbeeld geschapen. De mens heeft gelijkenis met God. Die de mens ziet, die ziet de heerlijkheid van God. God heeft goede eigenschappen in de mens gelegd, hoedanigheden geschapen in ons mensen, die rechtstreeks van Hem afstammen. Wie Adam ziet, die ziet God. In de glans van Adams heerlijkheid straalt de heerlijkheid van zijn Schepper. In ware gerechtigheid en heiligheid. Die rechtvaardigheid betekent dus, dat we in ons hart, gelijkheid hebben met God. De wet van God was ons leven. Zoals God dacht, zo dachten wij ook. Daar was geen conflict, daar was geen meningsverschil. We waren één van hart en één van ziel en dat was ons leven. Daarom kenden we ook geen verdriet, geen vrees, geen angst, geen droefheid. We waren volmaakt, omdat we het volmaakt met God eens waren, omdat we volmaakt rechtvaardig waren. Daar staat verder ook dat we heilig waren. Heilig, dat wil zeggen afgescheiden voor God, ten dienste van God. Heilig in ons hart. Ons hart aan God gewijd en dat volkomen. We waren kinderen van God. We zouden eeuwig met God leven en heersen. Eeuwig met God regeren als Zijn kinderen. Er was vrede op aarde, omdat er vrede was met God. Rechtvaardig en heilig. Zoals Jezus rechtvaardig was en heilig. Zo waren wij, zo heeft God ons gemaakt. En nu zegt de Bijbel zonder omwegen, dat God de mens gemaakt heeft rechtvaardig en heilig, opdat hij God zijn Schepper recht zou kennen.

De mens, de beelddrager van God, is gevallen
In de tweede plaats staat er: Hem van harte liefhebben. Dat is het zalig hemelleven. Dat zullen we straks, verlost van de zonde, verlost van de ellende, thuisgekomen, weer altijd mogen doen. Tot in de allerkleinste bijzonderheden God te dienen. Tot eer en heerlijkheid van onze Schepper te mogen leven. Ons leven helemaal aan de Heere te mogen wijden, in de priesterlijke dienst aan God. En tenslotte staat er: en met Hem in de eeuwige heerlijkheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen. In de eeuwige zaligheid leven. Het Paradijs was dus het begin van de eeuwige zaligheid. Maar we zijn ellendig geworden omdat we zondaren geworden zijn. Vanwaar dan die ellende? Het is Gods openbaring, die het ons bekend maakt. God zegt: dat komt door de val, door de val en ongehoorzaamheid. De mens, de beelddrager van God, is gevallen. O zeker, Adam, hoewel hij niet gezondigd heeft om te vallen, wist, dat hij door zijn zonde zou vallen. Het is hem niet onverhoeds overkomen, hij is er niet argeloos ingelopen, hij had een volmaakte kennis. God heeft hem begiftigd met een kennis, waardoor hij wist wanneer hij goed deed. Eva heeft eerst in haar hart het spreken van de duivel gehoord en haar hart is er door getroffen. Dan strekt ze haar hand uit en de zonde die ze in haar hart overdenkt, voert ze uit. Ze heeft van de vrucht genomen en ze heeft gegeten en ze heeft haar man gegeven en ook die heeft gegeten. Hij heeft er bij gestaan. Of hij het hele gesprek gehoord heeft, vermeldt de Bijbel niet. Hij heeft het geweten, ook hij is er niet in gelopen. Ook hij wist het, ook in zijn hart kwam bekoring tot de zonde. De verleiding heeft ook in zijn leven post gevat. Ook hij is ontrouw geweest aan zijn hemelse Bruidegom. Ook hij heeft zijn Schepper en Maker verlaten en ook hij heeft genomen en gegeten. Toen werden hun beider ogen geopend.

Onze natuur is verdorven, wij allen zijn afgeweken
Dat wij allen, staat er. Waar onze natuur alzo is verdorven, dat wij allen in zonde ontvangen en geboren worden. Daar is het gebeurd, voor hen en voor ons. Deze kennis is geloofskennis. Daar is onze natuur verdorven. Alzo verdorven, dat wij allen in zonde ontvangen en geboren worden. Wij allen, niemand uitgezonderd. De beste onder ons, zegt Gods woord, scherper dan een doornhaag, wij allen zijn afgeweken. Samen onnut geworden. Stinkende geworden, zegt God. Er is niemand die goed doet, ook niet tot een toe. Ik geloof, dat al Gods kinderen vroeg of laat aan deze zijde van het graf dit krijgen te bewenen, dat ze in Adam de breuk met God volkomen gemaakt hebben. Dat zien we pas als het licht van Gods genade in onze ziel gaat stralen. Dan zien we die zwarte nacht van onze zonden, dat we die God, Die wèl deed, Die voor ons zorgt, Die dagelijks over ons waakt, Die ons met kleding en voedsel en met Zijn heilig Woord nawandelt, Die nog nooit iets verkeerds tegen ons gedaan heeft, dat we die God vaarwel gezegd hebben.

Tenzij dan dat wij door de Geest van God opnieuw geboren worden
Tenslotte nog, Zijn wij dan zó verdorven, is het dan zo erg, zijn we geheel onbekwaam? Is er geen enkele weg meer, zijn wij onbekwaam tot enig goed en zijn we geneigd tot àlle kwaad? Ach, dat is ook een waarheid, die hatelijk klinkt in de oren van mensen, omdat we van nature allemaal humanisten geworden zijn. Mensen, die niet geloven dat het zó hopeloos is, dat we geen goed meer kunnen doen. Maar het Woord van God velt het vonnis over ons en over onze kinderen. Daar is niemand die goed doet, ook niet tot één toe. David zegt: Niemand, die leeft zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn. In die grote slag, waarin de duivel zijn laatste triumfen behalen zal, zal Christus het verlossende woord spreken en komen als een dief in de nacht, omwille van de uitverkorenen. Geheel onbekwaam, dat is de staat van ons allen, om enig goed te doen. En moet dat dan zo blijven? Is dat dan het laatste woord? Staat dan een onverbiddelijke punt achter deze uitspraak? Onbekwaam tot enig goed, geneigd tot alle kwaad. Daar zegt God op: Ja. Zo is het. En toch, tòch gaat de regel verder. ja, tenzij dan dat wij door den Geest Gods wedergeboren worden. Ja, tenzij dan dat God ons genade bewijst. En God is genadig! En met de woorden van Paulus: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood? Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere (Romeinen 7: 25-25).


                           
















 


a

LOGO

Zondag-1






Sola Scriptura