Logo
Oleh-Dara-Nya

 

        

 


 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Daarom kan Hij ook volkomen zalig maken wie door Hem tot God gaan, omdat Hij altijd leeft om voor hen te pleiten. Want zo’n Hogepriester hadden wij nodig: heilig, onschuldig, onbesmet, afgescheiden van de zondaars en boven de hemelen verheven. Hij heeft het niet nodig, zoals de hogepriesters, elke dag eerst voor zijn eigen zonden slachtoffers te brengen en pas daarna voor die van het volk. Want dat heeft Hij voor eens en altijd gedaan, toen Hij Zichzelf offerde. Want de wet stelt mensen, die met zwakheid behept zijn, aan als hogepriester. Maar het woord van de eed die na de wet gezworen is, stelt de Zoon aan, Die tot in eeuwigheid volmaakt is (Hebreeën 7:25-27).

Antwoord 80:
 

Mat. 26:28; Luk. 22:19, 20; Joh. 19:30; Heb. 7:26, 27; 9:12, 25-28; 10:10, 12, 14; 1 Kor. 6:17; 10:16, 17; Joh. 20:17; Kol. 3:1; Heb. 1:3; 8:1, 2; Hand. 7:55, 56; Fil. 3:20; Kol. 3:1; 1 Tes. 1:10; Heb. 9:26; 10:12, 14.

Hebreeën 9:12 Hij is niet door bloed van bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed voor eens en altijd binnengegaan in het heiligdom en heeft daardoor een eeuwige verlossing teweeggebracht.

Hebreeën 1:3 Hij, Die de afstraling van Gods heerlijkheid is en de afdruk van Zijn zelfstandigheid, Die alle dingen draagt door Zijn krachtig woord, heeft, nadat Hij de reiniging van onze zonden door Zichzelf tot stand had gebracht, Zich gezet aan de rechter hand van de Majesteit in de hoogste hemelen.

Antwoord 81: 

1 Kor. 10:19-22; 11:28, 29.

1 Kor. 11:28-29  Maar laat ieder mens zichzelf beproeven en laat hij zó eten van het brood en drinken uit de drinkbeker.  Want wie op onwaardige wijze eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel, omdat hij het lichaam van de Heere niet onderscheidt.

Antwoord 82: 

Ps. 50:16; Jes. 1:11-15; 66:3; Jer. 7:21-23; 1 Kor. 11:20, 34.

Jes. 1:11-16 Waartoe dienen voor Mij uw vele offers? zegt de HEERE. Ik heb genoeg van de brandoffers van rammen en het vet van gemest vee; en in het bloed van jonge stieren, lammeren of bokken  vind Ik geen vreugde. Wanneer u komt om voor Mijn aangezicht te verschijnen- wie heeft dit van u gevraagd,  dat u Mijn voorhoven betreden zou? Breng niet langer nutteloze offers. Het reukwerk is Mij een gruwel. Nieuwemaansdag en sabbat, het bijeenroepen van samenkomsten: Ik verdraag het niet; het is onrecht, zelfs de bijzondere samenkomsten. Uw nieuwemaansdagen, uw feestdagen haat Ik met heel Mijn ziel; ze zijn Mij tot last; Ik ben het moe om ze te dragen. En wanneer u uw handen uitspreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer u uw gebed vermeerdert, luister Ik niet: uw handen zitten vol bloed. Was u, reinig u! Doe uw slechte daden van voor Mijn ogen weg! Houd op met kwaad doen


Wij zullen in deze Zondag behandelen Het Heilig Avondmaal en de gerechtigheid


Drie hoofdthema's in deze bespreking
1.
 Van het Avondmaal en zijn gerechtigheid (verworven door Christus)
2.  De verwerping van de eigengerechtigheid (buiten Christus verdienste)
3.  De uitsluiting van de ongerechtigheid (leven als een ongelovige en goddeloze)

Inleiding
Waarom hebben onze vaderen deze bitse woorden gebruikt over de Mis, daar er toch zoveel dwalingen zijn in de roomse kerk, die met deze woorden niet worden aangeduid? Waarom hier op zo'n onbarmhartige manier? Ach, het was geen lust tot schelden, maar het was noodzaak. Het concilie van Trente had immers, al degenen verdoemd, die niet geloven dat brood en wijn veranderen in het lichaam en bloed van Jezus Christus. Daarom was het nodig, dat onze vaderen van de Pauselijke Mis zeiden, dat het een vervloekte afgoderij is. Toch bemerken we, dat zij dit met leedwezen hebben gedaan. Ze hebben het gedaan, zoals Jeremia, met innerlijke benauwdheid van hun hart, ziende de ondergang van dat grote roomse rijk. Zij zagen, hoe de mensen daar in hun afgoderij steeds verder gingen en van het enige offer van Jezus Christus vervreemd werden. Zij hebben er ook wat tegenover gesteld. Zij hebben niet enkel de Mis afgewezen, ze hebben gezegd: Dat is het nièt, die is vervloekt, maar even krachtig hebben ze gezegd: Dit is het wèl. in onze 80e vraag en antwoord, wordt het onderscheid duidelijk aangetoond tussen de Pauselijke (Paapse) Mis en het Avondmaal des Heeren. Het Avondmaal des Heeren verzekert ons, dat wij volkomen vergeving van al onze zonden hebben door het enige offer van Jezus Christus. Maar de Mis leert, dat de levenden en doden, nièt door het lijden van Christus vergeving van de zonden hebben, tènzij dat Christus nog dagelijks voor hen door de Mispriester geofferd wordt.

Hier hebben we dus het onderscheid. Het Avondmaal zegt: wij hebben volkomen vergeving van al onze zonden, doordat we ons vertrouwen stellen op het enige offer, dat door Jezus Christus aan het kruis volbracht is. Zonder iets van ons toe te doen; zonder dat we daar de priester voor nodig hebben. Ja, zelfs zonder dat we daar zelf iets toe kunnen bijbrengen, zelfs geen gebeden, zelfs geen verbroken hart. Wij komen - als een naakte zondaar - voor God te staan en dan stellen we ons betrouwen op het offer, dat Jezus eenmaal aan het kruis gebracht heeft. En dan betuigt het Avondmaal ons, dat wij door de Heilige Geest Christus worden ingelijfd. Door het geloof alleen, zo menigmaal de ziel aan dat offer aan het kruis gedenkt. Dat leert de Mis niet. De Mis zegt, dat niemand kan zalig worden door enkel zijn betrouwen te stellen op Jezus Christus. De levenden, ja zelfs de doden zijn niet zalig, tenzij dat Christus nog dagelijks voor hen door de Mispriester wordt geofferd. Dus elke dag opnieuw, zegt de roomse kerk, moet de priester Christus offeren. Dat noemen ze het offer van de toepassing. Hier scheiden onze wegen. Wij zeggen: Alleen op Christus' gerechtigheid steunen wij, op dat eenmalige offer. En Rome zegt: Nee, dan kun je nooit zalig worden; dagelijks moet het geofferd worden, niet alleen voor degenen, die leven, maar ook voor hen, die gestorven zijn. Wat een troosteloze leer. Er is nog meer onderscheid tussen het Avondmaal en de Mis. Want, zo vervolgt de onderwijzer: En dat we door de Heilige Geest Christus worden ingelijfd, Die naar Zijn menselijke natuur niet op de aarde, maar in de hemel is. Maar de Mis zegt: dat Christus lichamelijk onder de gestalte van het brood en van de wijn is.

Dat is dus het tweede onderscheid. Wij worden door de Heilige Geest Christus ingelijfd, zegt de onderwijzer, dat is een veel hechtere verbintenis. Wij worden door God zelf met God verenigd. De Heilige Geest komt in ons wonen en kiest ons tot Zijn tempel. Hij maakt ons net zo rijk als Jezus, zodat we één zijn met Hem. Dat is onze troost, dat we door de Heilige Geest van dag tot dag vernieuwd worden, maar niet, wanneer we dat stukje brood met onze mond smaken en dat teugje wijn met onze tong proeven.

Dan is er nog een derde onderscheid
. Het Avondmaal verzekert dus dat Christus in de hemel is, aan de rechterhand van Zijn Vader en daar van ons aangebeden wil zijn. Maar de Mis leert, dat Christus' gestalte lichamelijk in het brood en wijn is en daarom daarin wil aangebeden worden. Wij zeggen, wij aanbidden Christus, Die in de hemel is aan de rechterhand van de Vader en wij heffen onze harten op uit het aards gedruis tot Hem, Die boven de wolken woont. De roomse Mis leert: Men aanbidt de ouwel, men aanbidt de wijn, want dat is het lichaam en bloed. Daarom is het ook zo erg. Daarom hebben onze vaderen gezegd: Zo is de Mis in wezen niet anders dan een ontkenning van het enige offer en van het lijden van Jezus Christus en dus een vervloekte afgoderij.

Onderzoek uzelf of u in het geloof bent, beproef uzelf  (2 Korinthe 13:5)
Dan vervolgt de onderwijzer in vraag 81: Voor wie is het Avondmaal des Heeren ingesteld. Dit is de zelfbeproeving. Straks in vraag en antwoord 82 gaat het over de kerk: wat heeft de gemeente des Heeren te doen? Wie heeft zij te weren van de dis van hetverbond? Maar eerst gaat het over, wat ik te doen heb. Ik heb me te stellen onder de tucht van het woord van God. Ik heb mezelf te beproeven. Nee, dat kan de dominee niet, dat kan geen ouderling, dat kan het liefste kind van God niet. Een ieder beproeft zichzelf. We kunnen nooit ten volle weten, wat er in het hart van onze naaste is. Christus heeft gezegd: Aan de vruchten zult u hen kennen. Maar de staat van het hart heeft Hij in Zijn eigen hand gehouden en heeft tot een ieder van ons gezegd: Beproef uzelf. (2 Korinthe 13:5 Onderzoek uzelf of u in het geloof bent, beproef uzelf. Of weet u niet van uzelf dat Jezus Christus in u is? Of het moet zijn dat u op enigerlei wijze verwerpelijk bent). Het is een persoonlijke zaak. Welnu, Christus heeft deze spijze - alleen voor Zijn gelovigen - verordineerd. Alle gelovigen, zonder onderscheid, worden opgeroepen, met klem opgeroepen om aan de dis des Heeren te verschijnen. Wie zijn dat? Dat zijn diegenen, die zichzelf vanwege hun zonden mishagen en toch vertrouwen dat deze hun om Christus' wil vergeven zijn en dat ook de overblijvende zwakheid met Zijn lijden en sterven bedekt is. Die ook verlangen hoe langer hoe meer hun geloof te sterken en hun leven te beteren. Dit zijn dus de drie stukken, ellende, verlossing en dankbaarheid. Merkt u wel, dat onze vaderen het één van het ander niet hebben gescheiden. Ze hebben niet gezegd: Eerst een mishagen aan jezelf en dan later het vertrouwen. Nee, ze hebben het onlosmakelijk aan elkaar verbonden, want er kan nooit een echt mishagen zijn van onszelf voor God, als we geen vertrouwen hebben, dat God ons onze zonden vergeeft. In de tweede plaats: En dat ook de overblijvende zwakheid met Uw lijden en sterven bedekt is. Let u daar ook op, als u het oog geslagen hebt op de beloftenissen van God: "ook al uw overblijvende zwakheid". Dat is geen vergoeilijking van de zonde, in de zin van: je bent nu eenmaal zondaar. Nee, die zo spreekt, kent de kracht van Christus' bloed niet. Maar die de kracht van het reinigend bloed ervaren heeft, die zal óók ervaren geen verweer te hebben in deze strijd, die zal als een die geen handen en voeten heeft, telkens opzien tot die enige gerechtigheid van Christus. Nu verzekert ons de onderwijzer, dat, - wat er ook verder in ons leven gebeuren mag, - dat de overblijvende zwakheid met het lijden en sterven van Christus voor God bedekt is. God ziet er niets meer van. Of Hij ziet me aan als Zijn kind, òf Hij ziet me aan als een verloren zondaar. En als Hij me aanziet als Zijn kind, dan scheldt Hij niet meer op me en als Hij me aanziet als een verloren zondaar, kan Hij mij Zijn barmhartigheid niet bewijzen. Maar als Hij me in Christus aanziet, staat Christus tussen mij en tussen een Heilig Rechter. Dan bedekt Christus met Zijn bloed mijn zwarte schuld voor God. En dan ten derde: die ook verlangen hoe langer hoe meer hun geloof te sterken en hun leven te beteren. Dat is noodzakelijk: het leven te beteren. Aan de vrucht wordt de boom gekend. Zonder heiligmaking zal niemand God zien.

De geveinsde die eet en drinkt zichzelf een oordeel
Maar de hypocrieten, en die zich niet met een waar hart tot God bekeren, die eten en drinken zichzelf een oordeel. Vervolgens gaat het over de "hypocrieten". Dat zijn de geveinsden, die zich anders voordoen dan ze zijn. Zij praten misschien wel heel arm en nederig en zeggen ook wel: Het is alleen door het geloof, maar het komt in de vrucht niet openbaar. De hypocrieten, de geveinsden, die zich niet met een waar hart tot God bekeren, dus de onbekeerden, die eten en drinken zichzelf een oordeel. Twee soorten mensen worden genoemd: Een hypocriet is iemand, die zich voor een bekeerd mens uitgeeft, zich voor een kind van God uitgeeft, en die de werken van Gods kinderen wel probeert na te doen, maar scheef gaat op het stuk van de ootmoed. Want een hypocriet kan veel namaken: zoals berouw en liefde, maar dan is het natuurlijk niet de echte liefde. Maar ootmoed kan hij niet namaken. Hij wordt altijd "iets" met hetgeen, hij zegt ontvangen te hebben en vindt zichzelf echt wel voornaam met hetgeen, God aan zijn ziel gedaan heeft. Daar tegenover buigt de oprechte zich steeds dieper onder de genade-gaven van God. Van de tweede soort mensen staat er: En die zich niet met een waar hart tot God bekeren. Dat is dus iemand, die in de zonden wil blijven, die wel weet, dat hij nog onbekeerd is. Die geeft zich dan ook niet uit voor een bekeerd mens. Wanneer zo iemand, die in de zonden wil blijven leven aan het Avondmaal komt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel. Hier staat niet het oordeel. Het is niet de zonde tegen de Heilige Geest, wanneer men zo aan het Avondmaal deelneemt, maar het is een oordeel. Wanneer we -door dit oordeel -gevoelen onbekeerd te zijn en dáár smart over dragen, dan stellen we ons hart daarin open voor de bearbeiding van de Heilige Geest. Maar als we nu gevoelen onbekeerd te zijn, of we zijn geveinsden en we gaan toch aan het Avondmaal, dan stellen we ons daarmee onder de kinderen van God en - we sluiten ons hart toe, - voor de verdere ontdekkende bediening van de Heilige Geest. Dat is het oordeel, dat hier bedoeld wordt, die eten en drinken zichzelf een oordeel. Zij worden dus harder van hart door het gebruik van die heilige tekenen en zegelen.

De Sleutels van het hemelrijk
van de bediening van het Heilig Avondmaal
We gaan nu verder met vraag 82, waarin wordt gevraagd: Mag men ook hen tot dit avondmaal toelaten die zich door hun belijdenis en leven als ongelovigen en goddelozen doen kennen? Hier gaat het over de taak van de kerk. Let op de formulering, er staat, die zich dus zo aanstellen. Hier worden dus ook bij ingesloten Gods kinderen. Denk daar niet gering over. Zij kunnen ook met hun belijdenis en hun leven zich als ongelovige en als goddeloze mensen aanstellen. Daarom zijn ze het nog niet. We weten allemaal wel dat degenen, die Christus zijn ingeplant, er niet meer kunnen uitvallen en dat God ze bewaren zal tot de zaligheid, maar daar hebben wij niet mee te rekenen. Wanneer er van Gods kinderen zouden zijn, die in hun belijdenis en hun leven zich als ongelovige of als goddeloze mensen zouden aanstellen, dan heeft de gemeente des Heeren deze te weren van de dis van het verbond. Niet uit koudheid of hardheid of uit zelfverheffing. Nee, want de gemeente heeft ook tegelijk een taak, om zulke afgedwaalde schapen op te zoeken, om ze met de kracht van Gods woord en de liefde van Gods Geest terug te brengen van de dwaling van hun weg. Als dat niet gebeurt, dan faalt de gemeente, net zo goed als dat ze faalt, wanneer ze hen niet zouden afhouden van de dis van het verbond. Daarom is de Christelijke Kerk schuldig, naar de ordening van Christus en Zijn apostelen, zulke leden, totdat zij betering van hun leven bewijzen, hen door de Sleutels van het hemelrijk uit te sluiten. Die Sleutels van het hemelrijk daar spreekt Zondag 31 van. Dat zijn de prediking van het woord en de christelijke ban. Men heeft de gemeente des Heeren erop te wijzen, opdat de toorn van God niet ontbrand, opdat het verbond des Heeren niet zal worden ontheiligd. Wanneer u openlijk van de leer van Christus afwijkt, omdat u openlijk in goddeloosheid leeft, dan heeft de gemeente van Christus de plicht om te weren en af te houden van de bediening van het Heilig Avondmaal, door de sleutels te gebruiken, die God Zijn ambtsdragers geeft. Maar God heeft hen niet voor goed, hiervan buiten gesloten. Dan is het van tweeën één, Hij sluit buiten, die in hun goddeloosheid blijven, maar Hij sluit ook binnen, die zich van harte tot God bekeren. Dan is niemand te klein of te arm en niemand heeft teveel zonden en niemand is te ongelukkig om zijn hand te mogen uitstrekken naar die reine wijn, naar die maaltijd, die God voor ons in de woestijn toericht.

Diegenen, die een mishagen hebben aan zichzelf,
die verootmoedigen zich voor God
Kom lezer, hebt u er ook wel eens verlangen naar om met Gods gemeente de dood des Heeren te verkondigen, om daar in het midden van Gods gemeente de beker van de verlossing te mogen opnemen en Zijn naam dank te zeggen? Vloeit ook uw hart wel eens over van de lof des Heeren? O, wat ik u bidden mag, verootmoedig uw hart voor de Heere. Als u in gedachten die tafel ziet aangericht, waar is dan uw hart? Kunt u dan ook zeggen, met de belijdenis van de kerk, dat u uzelf voor God mishaagt en dat u toch vertrouwt, dat God een genadig God is? Als het nog niet zo is, de deur is nog niet dicht. De weg is nog open, betert u dan en laat uw zonden afwassen.Beproef uzelf altijd weer opnieuw, want ons hart is arglistig, dodelijk, wie zal het kennen? Als u het zelf niet meer kunt, laat God het dan beproeven. Zeg dan: Heere, ik weet het niet meer, het is bij mij een babylonische spraakverwarring. Het ligt alles door elkaar. Leg dan uw hart bloot voor de Heere. Wanneer er een mishagen is van uzelf, omdat u het elke keer weer opnieuw zo laag voor God hebt laten liggen, maar er dan toch ook aan de andere kant dat hartelijk zuchten om Gods genade is, dat roepen uit de diepte, ach, dat U de hemelen scheurdet, o, dan hebt u niet te twijfelen, dan bent u een waardig disgenoot. Niet, omdat uw kleed zo schoon is, maar omdat Jezus Christus gekomen is om zondaren zalig te maken. En u kinderen Gods, die met bewustheid het brood genomen hebt en de drinkbeker gedronken, met een mishagen aan uzelf, o daar komt u nooit bovenuit; wat u ook op aarde van Christus geschonken krijgt. Als u "groter" geworden bent, bent u een walg in de ogen van God. Want alleen degenen, die een mishagen hebben aan zichzelf, die verootmoedigen zich voor God, en zullen met lege handen naderen, om genade voor genade van God te mogen ontvangen. Dat aanzitten, dat straks plaats zal vinden, waar geen hypocriet en onbekeerde zal zijn, waar ook geen kind van God zich meer onwaardig maken zal, door te leven als een onbekeerde en waar de zonde voor eeuwig zal zijn uitgebannen. Waar treuring en zuchting zullen wegvlieden, waar eeuwige blijdschap op onze hoofden wezen zal, door onze Zaligmaker Jezus Christus. Die ons alzo liefhad, dat Hij om onzentwil in de bittere dood van het kruis onderging, opdat wij kinderen van God zouden worden genoemd.


                       

















 


a

LOGO






Sola Scriptura