Logo
Oleh-Dara-Nya

 

        

 


 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik roep u er dan toe op, broeders, door de ontfermingen van God, om uw lichamen aan God te wijden als een levend offer, heilig en voor God welbehaaglijk: dat is uw redelijke godsdienst. En word niet aan deze wereld gelijkvormig, maar word innerlijk veranderd door de vernieuwing van uw gezindheid om te kunnen onderscheiden wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is (Romeinen 12:1-2).

Antwoord 86:

Rom. 6:13; 12:1-2; 1 Kor. 6:20; 1 Petr. 2:5, 9; Mat. 5:16; 1 Petr. 2:12; Mat. 7:17-18; Gal. 5:6, 22;
2 Petr. 1:10; Mat. 5:16; Rom. 14:18-19; 1 Petr. 3:1-2


Matheüs 7:17-18 Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort en een slechte boom brengt slechte vruchten voort. Een goede boom kan geen slechte vruchten voortbrengen en een slechte boom kan geen goede vruchten voortbrengen

1 Kor. 6:20 U bent immers duur gekocht. Verheerlijk daarom God in uw lichaam en in uw geest, die van God zijn.

1 Petrus 2: 9-10 Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte; opdat u de deugden zou verkondigen van Hem Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht, u, die voorheen geen volk was, maar nu Gods volk bent; u, die zonder ontferming was, maar nu in ontferming aangenomen bent.

Antwoord 87:

1 Kor. 6:9-10; Ef. 5:5-6; 1 Joh. 3:14-15.

Efeze 5:5-6 Want dit moet u weten, dat geen enkele ontuchtpleger, onreine of hebzuchtige, die een afgodendienaar is, een erfdeel heeft in het Koninkrijk van Christus en van God. Laat niemand u misleiden met inhoudsloze woorden, want om deze dingen komt de toorn van God over de kinderen van de ongehoorzaamheid.


In deze Zondag gaat het over de noodzaak van de goede werken

Die goede werken die moeten gedaan worden:
1.
 Om God
2.  Om onszelf
3.  Om onze naaste

Inleiding
Er is een tijd geweest en daar hebben ook de opstellers van de Catechismus terdege tegen moeten strijden, dat juist dat eerste en dat tweede stuk van onze Catechismus, namelijk de kennis van de ellende en ook de verlossing door Christus Jezus nauwelijks meer ter sprake kwam. Men had alles gezet op de goede werken, op de dankbaarheid, op het menselijk doen voor God. De mens wist niet meer dat hij zó verloren was voor God dat hij gered moest worden. Hij wist ook niet meer dat die redding alleen plaats had door de genade van God in het offer van Jezus Christus, aan zondaren geopenbaard. De dankbaarheid was in die dagen puur mensenwerk geworden. Het zwaartepunt lag bij doen en laten. Hoogstens kende men Christus nog een plaats toe als een voorbeeld om na te volgen. In vele protestantse en roomse kerken is men weer terug gezonken in die slappe, lauwe theologie van de donkere middeleeuwen; als het nog theologie genoemd mag worden! Uit de reactie daarop is men in navolging van de reformatoren weer alle nadruk gaan leggen op de totale verdorvenheid van de mens en heeft men weer bij het licht van Gods Geest de weg van de verlossing gevonden door het kruis van Christus. Dat is een geweldige ontdekking geweest voor Luther, Calvijn en voor Zwingli en voor al de mensen die in de nacht van die menselijk theologie het licht niet meer konden zien. Het is eigenaardig, dat, als de onderwijzer gaat spreken over de noodzaak van de goede werken, hij ons niet eerst een scala van allerlei wetten en verordeningen voorhoudt, maar hij bepaalt ons bij de onmetelijke weldaden van Gods genade. Hij stelt een schat van zegeningen voorop. U bent verlost, God heeft u welgedaan en daarom zult u nu voor God leven. Want uit God door God en tot God zijn alle dingen. Dat het uit God en door God is, dat hebben we in de voorgaande zondagsafdelingen gezien. Uit God is de zaligheid, wordt door Hem gewerkt, door Zijn Geest, om het offer van Christus naar het welbehagen van de Vader. Maar die derde schakel kan niet gemist worden. Als het dan uit God is, en door God, dan zullen Gods werken God ook loven. En dan zullen zijn gunstgenoten Hem zegenen. Als er een werk van Gods genade in ons is gewerkt en Hij door Zijn Heilige Geest ons vernieuwd heeft naar het evenbeeld van Christus, dan is ons leven ook gericht op God. Dan is er ook met de kennis van onze zonden, met de kennis van onze verlossing door Christus, een hartelijk verlangen in ons leven gekomen, om niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden van God te leven, en God dankbaarheid voor al zijn weldaden te bewijzen. Die werkelijke dankbaarheid, die vloeit dus voort uit het gekocht zijn door Christus' bloed, en vrijgemaakt te zijn van de wereld en van de zonde. Wat God doet, dat is een zondaar van zijn zondewortel afsnijden en hem Christus inplanten. Hij is dan een nieuw schepsel. Die ziet God aan in gunst, in genade. Dat is een nieuw geboren kind, die wordt niet meer in Adam gerekend, maar in Christus. Die is voor God rein, heilig, rechtvaardig. Daar mankeert voor God niets meer aan. Want u weet wel, het is òf verdoemelijk òf rechtvaardig.

Wanneer er geloof is, dan zijn er ook de vruchten
Wanneer we vrijgekocht zijn door Jezus' bloed, dan zijn we aanvankelijk weer tot onze bestemming gekomen. Dan zijn we weer kinderen van God geworden. Dan gaan we weer leven, zoals God het wil. Het is de eerste roep van het door God ontdekte hart: Heere, wat wilt U dat ik doen zal? Om zalig te worden? Dat is de eerste uitroep van leven van het pas geboren kind: Heere, wat moet ik doen, zegt U het maar. Tot nu toe hebben we ons eigen leven uitgestippeld en onze eigen weg recht gemaakt. Maar nu zeggen we: Heere, ik ben verdwaald; ik zit in de ellende, ik kom er nooit meer uit, deze weg loopt dood. O, Heere vat U mijn hand, neem mij aan tot Uw erfdeel. Kom U in mijn hart, in mijn huis, want wij liggen in onze zonden, wij weten de weg niet meer. Opdat we, staat er, opdat wij met geheel ons leven aan God dankbaarheid bewijzen voor Zijn weldaden en Hij door ons geprezen wordt. Daar gaat het om. Hiertoe heb Ik ze Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen. En weer voor God gaan leven. Het is veel gemakkelijker om te zeggen; laten we de zonden maar doen, dan wordt de genade overvloediger. We krijgen het toch allemaal om niet, om Christus' wil. En daar tegen hebben de opstellers van de Catechismus duidelijk willen waarschuwen en zij hebben naar het Woord van Jacobus gehandeld door te zeggen: Ja, je kan wel zeggen, we zijn gelovigen, maar als dat niet in uw werken openbaar komt, dan is uw geloof nutteloos. Dan hebt u geen echt geloof. Daarom staat er ook: als u geloof hebt, dan zijn er ook vruchten en dan kunt u ook uit die vruchten van de oprechtheid van uw geloof verzekerd zijn. Want, dat is ook waar, daar is toch een bepaalde wisselwerking, ook in het leven van gelovigen. Als het niet goed staat met het leven van de heiligmaking in ons hart, dan staat het ook nooit goed met de verzekering van ons geloof. We kunnen dan soms wel veel redeneren met onze mond, maar met ons hart leven we in een schrijnend gemis. Als onze wandel slordig is, als we het niet zo nauw nemen met God dankbaarheid te bewijzen voor al Zijn weldaden, dan verflauwt en verwelkt ons geestelijk leven. Als er geen vruchten van het geloof in ons leven zijn, missen we ook de blijdschap van het geloof. Want naarmate er vruchten van het geloof zijn, die uit ons geloof voortkomen, komt er ook blijdschap van het geloof in ons hart. Het is een groter zaligheid en een veel inniger vreugde één zonde te doden door de Geest van Christus, dan jarenlang de zonde te genieten. Achter het genieten van de zonde steekt de bittere angel van de smart van de dood. Want zonde is ongerechtigheid en ongerechtigheid is sterven. Maar het doden van de zonde, dat is het eeuwige leven. Dus daar is een wisselwerking tussen het dragen van vruchten en het verzekerd zijn van de oprechtheid van het geloof. En ook daarom, ten opzichte van onszelf, voor onze blijdschap, en onze vrede, hebben we nodig vruchten te dragen, vruchten van geloof en van bekering waardig. Vruchten, die in de Bijbel genoemd worden: Geloof, liefde, lankmoedigheid, zachtmoedigheid, matigheid. Vruchten van het geloof zijn ook werkzaamheden van het geloof. Het geloof zelf als een vrucht van het geloof, en de hoop als een vrucht van de hoop. Dan baart geloof, geloof en dan baart de hoop, hoop, dan baart liefde, liefde en zo wassen we op in de kennis en in de genade van de Heere Jezus Christus. En tenslotte, dat door onzen Godzaligen wandel onze naasten ook voor Christus wordt gewonnen.

Het komt aan op een Godzalige levenswandel
Onze naasten voor Christus winnen doordat ze onze oprechtheid zien in onze levenswandel. Dat wij vaststaan op het Woord van de Heere: Ik zal u leiden naar Mijn raad. Wat moet de wereld van ons denken, als we net zo hard klagen en kermen als de kinderen van de wereld, als dure tijden komen, als tegenheden komen. Wat moeten de heidenen, wat moeten de ongelovigen van de kerk van Christus denken, wanneer u nooit eens durft te roemen in verdrukking. Wanneer u nooit eens uw betrouwen op de Heere durft uitspreken, of met uw leven durft belijden, dat u uw hoop op God stelt. Wat een ongekende kracht gaat er van een christelijk leven uit. Net zo goed, als er van een slordig onchristelijk leven een negatieve kracht uit gaat en het christendom en daarmee Christus Zelf verdacht gemaakt wordt in de ogen van de wereld, die God niet kent. En dan staat er: en dat door onzen Godzalige wandel onze naasten ook voor Christus wordt gewonnen. Het komt aan op een Godzalige levenswandel. Dat wil zeggen, een leven vervuld van God, van Zijn genade, van Zijn oordeel en van Zijn barmhartigheid. Dat de wereld aan ons ziet, dat we de zonde vrezen om Gods wil. Dat de wereld aan ons ziet dat we een ander vaderland zoeken. God liefhebben om God, al zouden we schade lijden, al zouden we ongelijk moeten ondergaan in deze wereld. Waarom, zegt de Heere, lijdt u dan niet liever schade? Waarom lijdt u dan niet liever ongelijk? Heb Ik niet beloofd, dat alles wat u om Mij in deze wereld vaarwel zult zeggen, u honderdvoudig zal worden teruggeschonken en in het toekomende, het eeuwige leven. Ach, misgun de arme wereldling geen goud. Hij kan straks in zijn sterven niets meenemen. Terwijl u opgaat tot Gods altaren om de erfenis in bezit te nemen, daalt de rijkaard zonder God, in de plaats waar hij smeekt, zonder verhoord te worden: Vader Abraham, zend Lazarus dat hij het uiterste van zijn vinger in het water dope en mijn tong verkoele, want ik lijd smarten in deze vlam. Christus heeft niet op Zijn recht gestaan, u moet het ook niet doen. Hij heeft het overgegeven in de hand van Zijn Vader, Die naar een rechte maat zal oordelen en draagt Hij nu de kroon niet, gezeten in de troon van Zijn Vader? Zo zal Hij ook ons kronen als we een kleine tijd met Hem hebben geleden. Zijn beeltenis dragen, betekent van de aarde verworpen worden, dat betekent smaadheid lijden om Christus' wil. Dat betekent kruisdragen, zoals Hij het kruis gedragen heeft. Leven zoals Christus het van ons vraagt, omdat Hij gezegd heeft, Ik ben de Heere uw God, die u uit Egypteland uit het diensthuis uitgeleid hebt, daarom zult u geen andere goden naast Mij dienen; ik zeg: als u daarmee ernst maakt dan zult u van allen veracht worden om Christus' wil. Maar ik geef u de verzekering, dat hier in dit leven reeds, het loon dat de Heere uw God geeft aan hen die Hem voor de mensen belijden, ruimschoots opweegt tegen die vreugde van de wereld, die we smaken zullen, wanneer we Hem verloochenen.

Het gaat om Gods eer
Opdat door onzen Godzalige wandel onze naasten ook voor Christus wordt gewonnen. Het gewone middel, om onze naaste voor Christus te winnen, is de prediking van het Evangelie, maar daarbij heeft de Heere ook al Zijn kinderen tot getuigen geroepen in deze wereld. U bent Mijn getuigen zegt Hij, dat Ik God ben. Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, zegt Jezus, opdat ze uw goede werken mogen zien. Om daarmee onszelf op een voetstuk te plaatsen? Nee, maar opdat ze uw Vader Die in de hemelen is, zullen verheerlijken. Daar komt het op aan en dat moet ook het streven van uw leven zijn, dat men uit uw godvruchtig leven uw Vader verheerlijken zal. Dat men zeggen zal: die mens, die heeft toch een God in de hemel. Die zorgt voor hem, aan die is Hij trouw. Een wondere God. Opdat zo hun hart wordt geneigd en ze door uw christelijke wandel voor Hem worden gewonnen. In ons leven wordt onze keuze zichtbaar voor onze naaste. "Niemand kan twee heren dienen", zegt Jezus Zelf in de Schrift, "want of hij zal de enen haten en de anderen liefhebben, of hij zal de enen aanhangen en den anderen verachten" (Matt.6:24). Wat houdt dat in,opdat wij met geheel ons leven aan God dankbaarheid bewijzen voor Zijn weldaden en Hij door ons geprezen wordt? Dat is toch immers een heerlijke zaak om God dankbaarheid te bewijzen voor de weldaden die Hij ons geschonken heeft en dat Hij door ons geprezen wordt. Christus is het enige zoenoffer voor de zonde. Maar Paulus spreekt er van dat hij zijn leven er voor over heeft, om een levend dankoffer voor God te zijn. Als we enigszins in de liefde mogen staan, dan zouden wij daar wel in willen sterven. Dan kunnen we heel goed begrijpen dat de Catechismus zegt: ons gehele leven. De dankbaarheid is: "Loof de HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heiligen Naam" (Ps.103:1).

Die niet volharden in hun goddeloos ondankbaar leven,
kunnen in een weg van de waarachtige bekering zalig worden
Tenslotte, kunnen dan diegenen die in hun goddeloos ondankbaar leven volharden en zich niet tot God bekeren, kunnen die niet zalig worden? Die niet christelijk leven, de onkuisen, de afgoden dienaars, de echtbrekers, de dieven, de gierigaards, de dronkaards, de lasteraars, de rovers of dergelijke, kunnen die het koninkrijk van God dan niet beërven? Kunnen die niet zalig worden, die in hun goddeloos ondankbaar leven voortgaande zich tot God niet bekeren? En dan staat er heel duidelijk; Beslist niet, want de Schrift zegt dat een onkuise, afgodendienaar, echtbreker, dief, gierigaard, dronkaard, lasteraar, oplichter, of een dergelijke zondaar, het koninkrijk van God niet beërven zal. Wat de mensen ook zeggen, de Schrift zegt, God zegt, Christus zegt, dat die, die in hun goddeloos ondankbaar leven volharden en zich niet tot God bekeren, beslist niet kunnen zalig worden. Let op, er staat niet dat geen onkuise, geen afgodendienaar, geen echtbreker, geen gierigaard, geen rover zalig kan worden, dat staat er niet. Maar er staat dat zulke mensen niet zullen kunnen zalig worden, indien ze in hun goddeloos, ondankbaar leven volharden en zich niet tot God bekeren. O, zeker, dieven, hoereerders, onkuisen, dronkaards, lasteraars, rovers, ze kunnen zalig worden. Ook u, wie u ook bent, al waren al deze zonden in uw ziel samen-gebonden. Al was u belast met al de zonden en met honderd meer als dat hier in het antwoord van vraag 87 genoemd worden, dan kunt u toch zalig worden. Maar, dan in een weg van de waarachtige bekering. Dan in een weg van het breken met de zonden. Dan niet volharden in uw goddeloos ondankbaar leven. Dan er vandaag nog mee stoppen, nu, terwijl u dit leest. Dan uw verloren leven aan Zijn voeten leggen, op dit ogenblik. Heden zo u Zijn stem hoort, met een ernstig voornemen u tot God bekeren.

Die nieuwe gehoorzaamheid,
waardoor het hart geneigd en vernieuwd wordt

Gaat het om de hoeveelheid goede werken? Is zaligworden een optelsom van hoe méér, hoe zekerder het is? We moeten eerst eens tot de kern doordringen, wat goede werken eigenlijk zijn. Als wij de Schrift kennen, dan weten wij dat de Heilige Schrift ons op meerdere plaatsen op de werken wijst. Luther zegt: "Als de Heilige Schrift de mensen op de werken wijst, dat God ons daarnaar wil oordelen, het goede wil belonen en het kwade bestraffen, dan wijst zij ons niet op het uitwendige van de werken, maar op het inwendige en de geest van deze, zonder welke er geen werk is noch zijn kan. De grond toch van het hart, welke de ziel van de werken is, wordt beloond of gestraft. Daarnaar, en niet naar het uiterlijke wordt een mens geoordeeld. De Schrift leert, dat niemand iets goeds kan doen, tenzij hij vooraf zelf goed is geworden. Zo wordt hij niet door de werken goed, maar de werken worden door hem goed". Tot zover Maarten Luther.

Dan moet er nog iets gezegd worden, dat eigenlijk geheel overbodig is. De goede werken spelen geen enkele rol ten aanzien van de rechtvaardigmaking. Niet de mens die vrucht draagt wordt gerechtvaardigd. Niet de vrome mens, maar de goddeloze wordt gerechtvaardigd. Dus die goede werken brengen geen nagelschrap toe aan onze rechtvaardigmaking. Maar, waar het bloed van Jezus Christus is, daar is ook de Geest van Jezus Christus. Waar een ziel wedergeboren is, daar is ook de vernieuwing van het leven door de Heilige Geest. Er moet een eerste wedergeboorte zijn, maar waar de eerste wedergeboorte is, daar is ook een doorgaande wedergeboorte, een vernieuwing, de heiligmaking. Dat is die nieuwe gehoorzaamheid, waardoor het hart geneigd en vernieuwd wordt, om niet alleen naar sommige, maar naar alle geboden van God te leven. Door de Heilige Geest naar het beeld van Christus vernieuwd te worden. Dat is nogal wat! Daar hebben de gelovigen alleen maar over te klagen, hoe weinig zij Christus gelijkvormig zijn. Daarvan zal toch iets in onze levens gevonden moeten worden. We kunnen ook hier de Catechismusvraag bijhalen: Waarom wordt u een Christen genoemd? Hebben we ìets van Christus in ons? Wij zijn immers naar Gods beeld geschapen in het paradijs. Vooral in het begin van de Catechismus hebben we de boodschap gelezen, dat wij Gods beeld verloren hebben. Nu is dit het geweldige, dat hier op aarde in de bekering van zondige mensen, die de volmaaktheid nog niet hebben, maar die met Paulus moeten zeggen: "Ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht" (Fil.3:1­2), dat er toch iets is van het herstel van Gods beeld. Dat wij het beeld van Christus gelijkvormig worden, omdat het ook alleen uit Christus voortkomt. "Want indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking van Zijn dood, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking van Zijn opstanding" (Rom.6:5). Vraag en antwoord 87 laat ons nog eens zien, wanneer er niets van het beeld van Christus in onze levens openbaar komt, dat het dan onmogelijk is om de zaligheid te beërven. Dus wanneer wij die goede werken missen, of in tegendeel, wanneer wij de werken van de duivel doen, dan zullen wij ook eenmaal met de duivel verenigd zijn in één plaats.


                         















 


a

LOGO






Sola Scriptura