Logo
Oleh-Dara-Nya

 

        

 


 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat evenals Christus uit de doden is opgewekt tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in een nieuw leven zouden wandelen. Want als wij met Hem één plant zijn geworden, gelijkgemaakt aan Hem in Zijn dood, dan zullen wij ook aan Hem gelijk zijn in Zijn opstanding. Dit weten wij toch, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam van de zonde teniet gedaan zou worden en wij niet meer als slaaf de zonde zouden dienen (Romeinen 6: 4-6).

Antwoord 88:

Rom. 6:13; 12:1-2; 1 Kor. 6:20; 1 Petr. 2:5, 9; Mat. 5:16; 1 Petr. 2:12; Mat. 7:17-18; Gal. 5:6, 22;
2 Petr. 1:10; Mat. 5:16; Rom. 14:18-19; 1 Petr. 3:1-2


Matheüs 7:17-18 Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort en een slechte boom brengt slechte vruchten voort. Een goede boom kan geen slechte vruchten voortbrengen en een slechte boom kan geen goede vruchten voortbrengen

1 Kor. 6:20 U bent immers duur gekocht. Verheerlijk daarom God in uw lichaam en in uw geest, die van God zijn.

1 Petrus 2: 9-10 Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte; opdat u de deugden zou verkondigen van Hem Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht, u, die voorheen geen volk was, maar nu Gods volk bent; u, die zonder ontferming was, maar nu in ontferming aangenomen bent.

Antwoord 89:

1 Kor. 6:9-10; Ef. 5:5-6; 1 Joh. 3:14-15.

Efeze 5:5-6 Want dit moet u weten, dat geen enkele ontuchtpleger, onreine of hebzuchtige, die een afgodendienaar is, een erfdeel heeft in het Koninkrijk van Christus en van God. Laat niemand u misleiden met inhoudsloze woorden, want om deze dingen komt de toorn van God over de kinderen van de ongehoorzaamheid.

Antwoord 90:

1 Kor. 6:9-10; Ef. 5:5-6; 1 Joh. 3:14-15.

Efeze 5:5-6 Want dit moet u weten, dat geen enkele ontuchtpleger, onreine of hebzuchtige, die een afgodendienaar is, een erfdeel heeft in het Koninkrijk van Christus en van God. Laat niemand u misleiden met inhoudsloze woorden, want om deze dingen komt de toorn van God over de kinderen van de ongehoorzaamheid.

Antwoord 91:

1 Kor. 6:9-10; Ef. 5:5-6; 1 Joh. 3:14-15.

Efeze 5:5-6 Want dit moet u weten, dat geen enkele ontuchtpleger, onreine of hebzuchtige, die een afgodendienaar is, een erfdeel heeft in het Koninkrijk van Christus en van God. Laat niemand u misleiden met inhoudsloze woorden, want om deze dingen komt de toorn van God over de kinderen van de ongehoorzaamheid.


Het gaat dus in deze 33-ste Zondag over de ware bekering van de mens

Twee hoofdthema's in deze bespreking
1.
 Wat de kern is van deze bekering
2.  Hoe zich die bekering openbaart

Inleiding
Is het niet vreemd, dat er over bekering gesproken wordt in Zondag 33? Nadat we het dus gehad hebben over de kennis van de ellende, over de verlossing, over de sacramenten, over de verzekering van het geloof, dat pas daarna de onderwijzer gaat spreken over "de ware bekering van de mens". In het stuk der dankbaarheid. Het is niet zo vreemd als het lijkt, de onderwijzer wil hier niet zo zeer spreken over de wedergeboorte, maar over de bekering! De bekering als een werk van de mens gewerkt door de Heilige Geest. Het is een bekering door de Heilige Geest, die in het hart werkt van een dode zondaar, maar dan toch als een werk door de mens verricht. God vernieuwt een zondaar. Dat is een werk wat God doet zonder ons. En de wedergeborene bekeert zich tot God door Zijn Geest. Hier zijn we altijd nog maar toe aan het "ons bekeren". En de allerheiligste is nog maar een heel klein beetje bekeerd. Daar spreekt de onderwijzer van. Dan hoort dat stuk van de bekering, dat begrijpt u, tot onze heiligmaking, tot onze vernieuwing. God zoekt in Zijn eer onze zaligheid en dat is ook waar, in onze zaligheid, Zijn eer. Maar nu moet dat ook ons verlangen zijn, dat we in de ontferming, waarmee God Zich over ons ontfermd heeft, weer verlangen te leven tot Zijn eer. Dan heeft God Zijn doel en dan zijn wij zalig. Want daartoe hebben we toch alleen maar het leven ontvangen, om in Zijn dienst te zijn. Weer te beantwoorden aan de bestemming, waartoe God ons gesteld heeft. Dan behoort deze Zondag dus duidelijk thuis in het stuk van de dankbaarheid.

Bekering en wedergeboorte
Bekering! Dat is eigenlijk zo'n heel nieuw woord in de Catechismus. We zouden zeggen: De Catechismus heeft gesproken over alles wat een mens mee kan maken, alles wat een mens door genade kan ontvangen. Er is reeds gesproken over de wedergeboorte, over de rechtvaardigmaking, over de heiligmaking en zelfs over de heerlijkmaking. Maar bekering, wat is bekering? De bekering begint met de wedergeboorte en komt pas ten einde in de heerlijkmaking. Het is dus eigenlijk een ander woord voor het geheel van de wedergeboorte, de rechtvaardigmaking, de heiligmaking en de heerlijkmaking. Bekering, dat is het gehele leven van het geloof. Want immers het eerste wat een arme zondaar krijgt in de wedergeboorte, is het geloof. Het geloof, dat heeft een zondaar nodig. Hij wordt gerechtvaardigd door het geloof. "Maar zonder geloof is het onmogelijk God te behagen" (Hebr.11:6). Dus ook de heiligmaking staat of valt met het geloof. De heerlijkmaking is geen zaak van het geloof in dezelfde zin. De heerlijkmaking zal zich voltrekken wanneer het geloof overgaat in aanschouwen. Het is aan de Kerk beloofd door het aanschouwen van Christus: "En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest" (2 Kor.3:18).

Bekering en wedergeboorte. Het woord wedergeboorte kunnen we in twee opzichten gebruiken. In engere zin bedoelen we daarmee de levendmaking, maar in ruimere zin bedoelen we de doorgaande wedergeboorte. Die neemt een heel leven in beslag. En dan kunnen we voor de duidelijkheid net zo goed het woord bekering gaan gebruiken. Deze keer vraagt dus de Catechismus: In hoeveel delen bestaat de ware bekering van de mens?  In twee delen:

1.  In de afsterving van de ouden, en
2.  In de opstanding van de nieuwe mens.

Daarna wordt ons in twee vragen en antwoorden uitgelegd wat het sterven is van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens. Het gaat daarin over onze houding ten opzichte van de zonde. Hoe staat een kind van God tegenover de zonde? We zouden het ook zo kunnen vragen: Hoe draagt het geloof daadwerkelijk vrucht, in het leven van het geloof? Dit wijst terug naar antwoord 86, dat de gelovige toch immers uit de vruchten verzekerd mag zijn van zijn geloof. Dit wijst terug naar vraag en antwoord 87 waar een hard oordeel is geveld. Kunnen dan die niet zalig worden, die, in hun goddeloos ondankbaar leven volharden, en zich niet tot God bekeren? Beslist niet; want de Schrift zegt dat geen onkuise, afgodendienaar, echtbreker, dief, gierigaard, dronkaard, lasteraar, noch rover, noch dergelijke, het Koninkrijk van God beërven zal. Wie is daarmee aangesproken? Of laten we liever vragen: is Gods kind vrijgesproken in antwoord 87? De allerheiligste heeft nog maar een klein begin van de gehoorzaamheid en daarom is er bekering nodig. En met bekering wordt eigenlijk bedoeld dat wij ons leven weer gericht krijgen op God, dat wij weer in een juiste verhouding tot God worden geplaatst. Bekeren wil zeggen dat er een terugkeer is in het leven, die openbaar komt in de vruchten en in de levensopenbaring. Dat er iets is van een terugkeer tot God, van het schepsel tot de Schepper, van het leem tot de Pottenbakker. In twee delen, zegt de Catechismus, bestaat de bekering; in de afsterving van de oude mens en in de opstanding van de nieuwe mens. Dit zijn geen twee delen, die in elkaars verlengde liggen. Er is niet eerst een afsterven van de oude mens totdat die oude mens compleet gestorven is, zodat er dan pas een nieuwe mens op zal staan. Nee, in de bekering gaat het niet over twee zaken die apart na elkaar plaats vinden, maar om twee zaken die tegenover elkaar staan. Afsterven en opstanding staan in een bepaalde verhouding weliswaar, maar tegelijk tegenover elkaar. De afsterving van de oude mens is een proces van hoe langer hoe meer in dit leven. Onze Catechismus spreekt over het afsterven van onze oude mens niet als een plotseling afsterven, maar als een dagelijks sterven van de oude mens, de eerste Adam. Maar tegelijkertijd ontluikt ook dat nieuwe leven, worden de eerste verschijnselen van het nieuwe leven zichtbaar in degenen die door Woord en Geest getrokken worden. Waar die eerste tekenen gezien worden van dat afsterven, zal daar tegenover ook de opstanding van de tweede Adam, de nieuwe mens geschapen naar Jezus Christus, zichtbaar worden.

In de ware bekering is verdriet over de zonden,
bedreven tegen de heiligheid van God
Heeft u een hartelijke droefheid, heeft u een hartelijke blijdschap, wat is het werk van de Geest in u? Mensen, die zo vlot zijn met de belijdenis, dat ze midden in de dood liggen, dat ze geen goed kunnen doen, aan de andere kant toch zo ontzaglijk goed weten, hoe er gepreekt moet worden en wie het bij het rechte eind heeft en wie er wel naast zal zitten. Bij wie het echt is en bij wie het wel niet echt zal zijn. Staat er niet in de Bijbel van die mensen, dat de natuurlijke mens niet begrijpt, de dingen die des Geestes Gods zijn? Of geldt die tekst dan juist niet voor hen, die onbewogen durven zeggen, dat ze nog maar gewone onbekeerde mensen zijn. Nee, ook die mensen die doorkneed zijn in de bijbelse waarheid, die de waarheid van a tot z kunnen noemen, ook die mensen moeten zich tot God bekeren. Ook die mensen moeten met alles wat ze menen te weten van zichzelf, van anderen en van God, overboord. Hun leven verliezen, opdat het ook in hun leven waar wordt, dat ze gaan bidden: O God, help me,want ik ben verloren. Want met de wetenschap dat God ons bekeren moet kunnen we oud worden en aangenaam leven, tachtig, negentig jaar lang, maar dan toch voor eeuwig verloren gaan. Bij uitzondering wordt gesproken over de bekering van de heidenen die buiten zijn. Veel meer wordt gesproken over de bekering van het volk van God, Israël, de kinderen des Heeren, het afgekeerde Israël, de trouweloze kinderen, waar de Heere elke keer weer opnieuw van zegt: Israël, bekeer u toch tot Mij. Dus dit Woord staat er niet alleen voor degenen die nog in hun ongeloof zijn, maar dit staat er in het bijzonder voor degenen, die van God geloof geschonken gekregen hebben. Dit Woord staat er ook in het bijzonder voor degenen, die tot God bekeerd zijn. Die ware bekering, staat er, bestaat uit twee delen; uit de afsterving van de oude en de opstanding van de nieuwe mens. Bestaat dus uit sterven en tegelijk leven. Bestaat uit droefheid en tegelijk blijdschap. Die duurt het hele leven en die gaat over alles wat we zijn en wat we doen. Hier gaat het over de "ware" bekering. Dat woordje zullen ze er wel bij gezet hebben, omdat in de praktijk blijkt dat er zoveel bekeringen zijn, waar later van blijkt, dat ze niet waar geweest zijn. Bekeringen in de nood van ons leven, bijvoorbeeld wanneer ziekte of dood dreigt, wanneer we voor zware posten gesteld worden, wanneer we in buitengewone ellendige omstandigheden gekomen zijn. Ach, dan kunnen we onder de druk van de omstandigheden zo ontzettend veel doen, zo ontzettend veel laten. We kunnen dan de Heere zoveel beloven en we kunnen ons leven zo radicaal veranderen, maar het gaat dan ten diepste altijd om het ontlopen, het ontgaan van de gerechtigheid van God. Terwijl in de ware bekering het verdriet over de zonden een plaats heeft. De zonden bedreven juist tegen de heiligheid van God. Dat is een duidelijk onderscheid met die bekering, die niet waar is, waar die dan ook uit voortkomt. Daar wordt de band met God gemist, die bestaat in de ware liefde tot God. In de ware bekering is een sterven van de oude, maar daar is ook een opstanding van de nieuwe mens. Er is nooit een normale bekering. Gods bekering is altijd een wonderwerk, daar sta je altijd verwonderd van. Voor jezelf en ook voor een ander. Het is een wonder in ons ogen, we zien het, maar we kunnen het niet doorgronden.

Die de zonde ziet als zonde tegen God,
die gaat de zonden ook haten en mijden
De onderwijzer nu vraagt in vraag 88: Wat is nu die afsterving van die oude mens? Dan antwoordt hij: Het is een oprechte droefheid, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben. Let hier op dat woord oprecht. Want er is ook veel schijnbekering, bijvoorbeeld als we tijdelijk, onder de druk van zware omstandigheden verkeren. Een schijn van echtheid, maar het komt niet in de diepte, in het binnenste van het hart. Eerst belicht de onderwijzer de negatieve kant en zegt dan: het is een oprecht verdriet. Hij zegt, het is een droefenis. Zo komt er ook door het werk van de Heilige Geest een droefenis, een hartelijk droefheid. Er zijn mensen, die zich in duizend bochten wringen, die een uitwendig vroom leven leiden, omdat ze bang zijn voor God. Altijd beklemt de angst hun ziel. Altijd is er in hun hart die neergedrukte stemming; denk erom je zal in de hand van de Heere vallen. En ze weten een ander ook niet anders te zeggen: dan dat ze eenmaal voor het gericht van God zullen staan en dat ze eenmaal het oordeel zullen dragen en dat God de zonden niet door de vingers zal zien. En dat zijn op zichzelf bijbelse waarheden. Wee, de mens die daar ook maar iets van zou willen afdoen. Maar het is niet de hele waarheid. Het kan zelfs eenzijdig gezien tot een leugen gemaakt worden. Als we van God een onbijbels beeld hebben in ons hart en dat ook op de harten van anderen willen afdrukken. Nee, de echte afsterving van de oude mens, bestaat in een droefheid. Een voortdurende droefheid, dat we God door onze zonden vertoornd hebben. Dus die droefheid gaat niet over de toorn, maar die droefheid gaat over de zonden en dat God nu toornig is omdat wij tegen Hem gezondigd hebben, terwijl God vriendelijk was. Dat zien we in de ware bekering, daar zien we dat God vriendelijk was. Daar zien we net als bij de verloren zoon; ik had het goed thuis. Aan m'n vader ligt het niet. Die zegt spontaan, gedreven door de Geest, gelokt door de liefde: En ik beleed, na ernstig overleg, mijn boze daân, Gij naamt die gunstig weg. Die zegt, dat hij verdriet heeft, leed draagt over zijn zonden en diegene het nog nooit uitgeschreeuwd heeft aan de voeten des Heeren, die heeft nog nooit echt gevoeld tegen Wie hij gezondigd heeft. Maar ik geef u de verzekering als u gevoelt in uw hart tegen Wie u hebt gezondigd, dat u de plaats zoekt, waar u uw zonden kunt belijden, waar u uw hart uitstort voor het aangezicht van de Heere. En, het geeft ook een haat tegen de zonden, want we gaan die zonden dan ook hoe langer hoe meer haten en mijden. Elke dag, hoe langer hoe meer. Er komt nooit een tijd, dat ik zeggen kan; dat heb ik gehad, want de Heilige Geest gaat altijd door om de diepten van mijn hart te onderzoeken. Dan zijn er nieuwe onhebbelijkheden, zonden in m'n hart. Zodat ik zeg: O, God hoe kon ik dat nu toch doen, hoe kon ik nu toch in die zonde vallen? Hoe kon ik U nu toch zo bedroeven, terwijl U toch zo goed voor mij bent. Die de zonde ziet als zonde tegen God, die gaat de zonden ook haten, hartelijk uit de grond van zijn hart. Niet om de gevolgen, maar om de zonden zelf. Als je dan 's avonds je hoofd op het kussen legt, dan ben je leger, ellendiger, hulpelozer, armer dan ooit tevoren.

De ware bekering is ook een vreugde in God,
het is de vreugde van mijn ziel
Maar de vreugde in God, dat is een vreugde, staat er, door Christus. Dat is een vreugde in God. Denkt hieraan gelovigen, want u twijfelt soms aan de waarheid van het werk van God in uw hart, omdat u zo weinig vreugde kent in uw leven. U zegt wel eens tot uzelf: Wie ben ik toch, wat heb ik toch weinig blijdschap, wat kom ik toch weinig vooruit. Wat kijk ik toch altijd tegen een donkere muur, wat ben ik toch voor een ellendig mens. Wat heb ik toch weinig vreugde. Maar de ware bekering is ook een vreugde in God. Dan zingen zij, in God verblijd, aan Hem gewijd. Om Zijn wegen, om Zijn werken. Het is een lust, en het is een hartelijke liefde. Het is het verlangen van mijn hart, het is de vreugde van mijn ziel. Dat is een waar element van de ware bekering. Zoals die hartelijke droefheid een waar element is van de ware bekering, zo is ook die hartelijke vreugde een waar element van de ware bekering. U mag uw droefheid wel tonen, maar zult u niet vergeten ook uw blijdschap te tonen! Zult u niet vergeten ook te spreken van uw hartelijke blijdschap? Want er zullen meer zondaren voor God gewonnen worden, wanneer u blijk geeft van uw hartelijke blijdschap, dan wanneer u alleen maar klaagt over uw verkeerdheid, over uw zondigheid en over uw onheiligheid tegenover God. Als ik bedroefd ben en als het donker is, dan vlucht ik in het verborgene tot de Heere en als ik goed van God mag spreken, dan doe ik het in het openbaar. Daarin wordt de Heere meer verheerlijkt en dat is een belangrijk deel van de ware bekering. Beide zijden zijn er in het leven van een bekeerde, van een gelovige.

God lief te hebben boven alles en de naaste als ons zelf
In de laatste vraag van deze Zondag wordt ern dan nog gevraagd, als dat leven dan goede werken voortbrengt, wat zijn dan goede werken? Waaraan kan ik dan weten of de vruchten, die ik mogelijk voortbreng, goede vruchten zijn? Dat kunt u hieruit weten, zegt de onderwijzer: de vruchten van dat nieuwe leven, zijn vruchten, die gebeuren, of die groeien uit het geloof. Dus uit het geloof in God, in de gemeenschap van de Heere Jezus Christus. Het is de natuurlijke uiting van het geestelijk leven. Dat is geen krachts-inspanning, dat is niet iets extra's in je leven doen, maar dat is leven uit Christus. Nu kun je niet anders dan dienen, dan die ander in zijn hulpeloosheid opzoeken, aan z'n lasten gaan tillen, proberen z'n noden te zien en mogelijk de weg te wijzen naar Hem Die in de wereld gekomen is om het verlorene te zoeken. Want het is onmogelijk als je zelf op de schouders van de Herder ligt, als je als een krachteloze gedragen wordt op de armen van Jezus genade, dat je anderen de zaligheid niet zou gunnen en hard zijn tegen de ander. Nee, dan heb je zelfs je vijanden lief. Dan heb je geen mens meer die je haat in deze wereld. De zonde haat je, maar niet de mensen. Ook niet de zondige mens, want dan weet je, dat ook die zondaar even verloren als jij, voorwerp is van Gods ontferming. En dat, zo de Heere Zich naar u neeerboog, ook Hij Zich naar die wil neerbuigen. Dus werken, die uit het geloof voortkomen. Wat door het geloof geschiedt, dat is God aangenaam en dienstbaar aan de naaste. De werken moeten ook zijn naar de wet van God. Ze moeten dus geen bedenksel van on zelf zijn, maar naar de Schrift. Het is soms bedroevend, dat er mensen zijn die voor zichzelf een naam opeisen, en die soms spijkerhard kunnen zijn tegen onbekeerde mensen, tegen onkerkelijke mensen, tegen verdwaalde mensen. Maar ik geef u de verzekering, als u luistert aan Jezus hart, als u als een verlorene op Zijn schouders ligt, dan doet u dat niet meer. Dan gaan we ons ook ontfermen over degenen, die geen raad en geen weg meer weten, die alles kwijt zijn in dit leven, omdat ze God kwijt zijn. Dan gaan we leven, naar de inhoud van de wet: God lief te hebben boven alles en van daaruit ook onze naaste te dragen voor Gods aangezicht.

Onze goede werken in het verborgen
Die goede werken doen we niet om zelf wat eer in de schaal te leggen, opdat de mensen zouden zien, wat we zoal voor God en de mensen doen. Dan doen we het veel liever in het verborgene, opdat onze Vader Die in het verborgen ziet, naar Zijn welbehagen het in het openbaar vergelden zal. Dat zijn de mensen, waar Jezus straks van zeggen zal: Ik was hongerig en u hebt Mij te eten gegeven, Ik was dorstig en u gaf Mij te drinken. Ik was in de gevangenis en u hebt Mij bezocht, naakt en u hebt me kleren gebracht. Ik was een vreemdeling en u hebt Mij geherbergd. Dan zullen ze stom verbaasd staan en zeggen: Ik Heere? heb ik geleefd tot Uw eer, heb ik iets gedaan wat U welbehaaglijk was, heb ik vruchten gedragen? Ze zullen zeggen: Heere waar dan? waar hebben we U hongerig gezien en waar naakt en waar arm en waar in de gevangenis en waar als vreemdeling? Dan zal de Heere zeggen: daar en toen, toen uw hart, bewogen door Mijn genade, uw hand uit strekte naar de Mijnen, toen hebt u het aan Mij gedaan.


                         















 


a

LOGO






Sola Scriptura