Logo
Oleh-Dara-Nya

 

        

 


 


 

 

 

 

 

 

 

De wet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zo zegt de HEERE: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van den HEERE afwijkt! Gezegend daarentegen is de man, die op de HEERE vertrouwt, en wiens vertrouwen de HEERE is! (Jeremia 17:5, 7).

Antwoord 93:

Ex. 31:18; Deut. 4:13; 10:3, 4; Mat. 22:37-40

Exodus 31: 18 En toen de HEERE geëindigd had met hem te spreken op de berg Sinaï, gaf Hij Mozes de twee tafelen van de getuigenis, tafelen van steen, beschreven met de vinger van God.

Antwoord 94:

1 Kor. 6:10; 10:7, 14; 1 Joh. 5:21; Lev. 19:31; Deut. 18:9-12; Mat. 4:10; Opb. 19:10; 22:8, 9; Joh. 17:3;
Jer. 17:5, 7; 1 Petr. 5:5; Rom. 5:3-5; 1 Kor. 10:10; Fil. 2:14; Kol. 1:11; Hebr. 10:36; Ps. 104:27-30; Jes. 45:7; Jak. 1:17; Deut. 6:5; Mat. 22:37, 38; Deut. 6:2; Ps. 111:10; Spr. 1:7; 9:10; Mat. 10:28; Deut. 10:20; Mat. 4:10; Mat. 5:29, 30; 10:37-39; Hand. 5:29.


1 Joh. 5:21 Kinderkens, bewaart uzelf van de afgoden. Amen.

1 Kronieken 16:26 Want al de goden van de volken zijn afgoden; maar de HEERE heeft de hemelen gemaakt.

Antwoord 95:

1 Kron. 16:26; Jes. 44:16, 17; Joh. 5:23; Gal. 4:8; Ef. 2:12; 5:5; Fil. 3:19; 1 Joh. 2:23; 2 Joh. :9.

Jes. 44:16-17 Zijn helft brandt hij in het vuur, bij de andere helft daarvan eet hij vlees; hij braadt een gebraad, en hij wordt verzadigd; ook warmt hij zichzelf, en hij zegt: Hei! ik ben warm geworden, ik heb het vuur gezien! Het overige nu daarvan maakt hij tot een god, tot zijn gesneden beeld; hij knielt er voor neer, en buigt zich, en bidt het aan, en zegt: Red mij, want gij zijt mijn god!

Gal. 4:7-8 Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus. Maar toen, als gij God niet kende, diende gij degenen, die van nature geen goden zijn.


In deze 34-ste Zondag maken we een begin met de behandeling van de tien geboden,
die de Heere aan Mozes gegeven heeft op de berg Sinaï.


Drie hoofdthema's in deze bespreking
1.
 De bedoeling van de wet
2.  Hoe wordt de wet ingedeeld
3.  De behandeling van het eerste gebod

Inleiding  (Exodus 19 - aansluitend de tien geboden)
In de derde maand, op dezelfde dag dat de Israëlieten uit het land Egypte waren vertrokken, kwamen zij in de woestijn Sinaï.Zij braken op vanuit Rafidim, kwamen in de woestijn Sinaï en sloegen hun kamp op in de woestijn. Israël sloeg daar zijn kamp op tegenover de berg. Toen klom Mozes omhoog, naar God. De HEERE riep tot hem vanaf de berg: Zo moet u tegen het huis van Jakob zeggen en de Israëlieten verkondigen: U hebt zelf gezien wat Ik met de Egyptenaren gedaan heb en hoe Ik u op arendsvleugels gedragen en u bij Mij gebracht heb. Nu dan, als u nauwgezet Mijn stem gehoorzaamt en Mijn verbond in acht neemt, dan zult u uit alle volken Mijn persoonlijk eigendom zijn, want heel de aarde is van Mij. U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die u tot de Israëlieten moet spreken. Mozes kwam terug en riep de oudsten van het volk, en hield hun al deze woorden voor, die de HEERE hem geboden had. Toen antwoordde heel het volk gezamenlijk en zei: Alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen! En Mozes bracht de woorden van het volk weer over aan de HEERE. En de HEERE zei tegen Mozes: Zie, Ik kom naar u toe in een dichte wolk, opdat het volk het kan horen wanneer Ik tot u spreek en opdat zij ook voor eeuwig in u geloven. En Mozes maakte de woorden van het volk aan de HEERE bekend. En de HEERE zei tegen Mozes: Ga naar het volk toe, en heilig hen vandaag en morgen, en laten zij hun kleren wassen en over drie dagen gereed zijn. Op de derde dag zal de HEERE namelijk voor de ogen van heel het volk neerdalen op de berg Sinaï. U moet voor het volk een grens stellen rondom de berg door te zeggen: Wees op uw hoede dat u de berg niet beklimt of ook maar de voet ervan aanraakt. Ieder die de berg aanraakt, zal zeker gedood worden. Geen hand mag hem aanraken, want hij zal zeker gestenigd of met pijlen doorschoten worden. Of het nu een dier of een mens is, hij mag niet blijven leven. Pas als de ramshoorn een langgerekte toon laat horen, mogen zíj de berg beklimmen.Toen daalde Mozes van de berg af naar het volk, en hij liet het volk zich heiligen, en zij wasten hun kleren.Hij zei tegen het volk: Wees over drie dagen gereed en nader niet tot een vrouw. En het gebeurde op de derde dag, toen het morgen werd, dat er op de berg donderslagen, bliksemflitsen en een zware wolk waren, en zeer sterk bazuingeschal, zodat al het volk dat in het kamp was, beefde. Mozes leidde het volk uit het kamp, God tegemoet. Zij stonden onder aan de berg. De berg Sinaï was geheel in rook gehuld, omdat de HEERE er in vuur neerdaalde. De rook ervan steeg omhoog als de rook van een oven, en heel de berg beefde hevig. Het bazuingeschal werd gaandeweg zeer sterk. Mozes sprak en God antwoordde hem met een stem. Toen daalde de HEERE neer op de berg Sinaï, op de top van de berg. De HEERE riep Mozes naar de top van de berg en Mozes klom naar boven. De HEERE zei tegen Mozes: Ga naar beneden, waarschuw het volk! Anders zullen zij doordringen tot de HEERE om Hem te zien en zullen velen van hen vallen. Ook de priesters, die tot de HEERE naderen, moeten zich heiligen; anders zal de toorn van de HEERE over hen losbarsten. Toen zei Mozes tegen de HEERE: Het volk kan de berg Sinaï niet beklimmen, want U hebt ons Zelf gewaarschuwd door te zeggen: Grens de berg af en heilig hem. De HEERE zei tegen hem: Ga, daal af, en daarna moet u naar boven klimmen, u met Aäron bij u, maar laat de priesters en het volk niet doordringen om naar de HEERE op te klimmen, anders zal Zijn toorn over hen losbarsten. Toen daalde Mozes af naar het volk en hij zei dit tegen hen. Toen sprak God al deze woorden:
(zie de 10 geboden)

De bedoeling van de wet
We lazen uit Exodus 19 hoe enkele millioenen mannen, vrouwen en kinderen samengekomen zijn aan de voet van de berg Sinaï, de plaats die God aan Mozes al jaren geleden aangewezen had, waar Hij beloofd had dat het feest zou beginnen. Want de Heere had tot Mozes gezegd, toen hij tachtig jaar oud was en de Heere hem riep om een leidsman van Zijn volk te zijn: tot een teken van de waarheid van het woord, dat ik tot u spreek, zult gij en Mijn volk Mij aan deze plaats dienen. Hier zal het grote feest beginnen, hier zal ik Mijn dienst met Israël vast stellen. Op deze plaats. Het volk staat aan de voet van de berg Sinaï. Mozes heeft geboden, dat ze zich heiligen zouden, drie dagen zich afzonderen, hun kleren wassen. Ceremonieel-heilig zullen ze staan voor het aangezicht van God. Zo zijn ze gekomen de mannen, de vrouwen en de kinderen, dan betrekt zich de oosterse hemel. Wolken en donkerheid worden gezien. Ineens doorklieven felle bliksemschichten de lucht. Harde donderslagen doen hemel en aarde beven en in het midden daarvan heft Mozes zijn staf op en hij roept het volk toe: Volg mij. En onder de tekenen van de majesteit van God nadert het geheiligde volk voor het aangezicht van God, bevende en bevreesd, tot aan de afbakening van de berg. Verder mogen ze niet komen. God toont met de donderslagen en de bliksemschichten Zijn macht en majesteit. De Heere komt naar beneden, een geweldig bazuingeluid kondigt Zijn komst aan en Israël buigt zich voor hun God. Mozes spreekt tot de Heere. God gaat vanuit de hemel tot het gehele volk de tien geboden van de wet spreken en daarmee roept God luid tot het volk wat Zijn heilige wil is. De wet was in Adam ingeschapen bij de schepping, maar nu spreekt de Heere de wet en zijn wil uit in woorden. God brengt die wet uit liefde tot het volk zodat zij weten hoe Hij gediend wil worden. Daarom kunnen we voluit zeggen dat God zich ui liefde tot Zijn volk wendt met een Vaderlijke liefde. Het volk van Israël heeft die wet zo nodig. Die wet is geen stok om te slaan, maar de bedoeling van die wet is zoals Christus hem heeft uitgelegd in een hoofdsom:

Matheus 22:37-40  Jezus zei tegen hem: U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, hieraan gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt heel de Wet, en de Profeten.

God liefhebben boven alles en de naaste als onszelf
God begint te zeggen: God de HEERE, úw God, de Jehova, úw God Die u uitleidde uit Egypteland, Die u vrijmaakte. In de doop belijden wij, dat het gedoopt worden, het doorgaan is door de Roode Zee. De Roode Zee van Jezus' bloed. Uit Egypteland geleid, dat wil zeggen uit de wereld uitgeleid, dat wil zeggen door Christus verlost en Hem tot een volk gemaakt. Dat zegt de Heere als eerste, dus de wet staat in het teken van de dankbaarheid. Nu zal het verloste volk, het door God bevrijde volk, ook leven naar de inzettingen van de Heere. Nu krijgt de wet haar volledige doel. Nu zal de wet het hart tot God bekeren, altijd weer opnieuw. Dus niet met een dwingend gevoel, maar liefdevol met een vernieuwd hart dat steeds vraagt: Heere wat wilt U dat ik doen zal. Die wet is heilig en dierbaar het is een Evangelie-wet, God liefhebben boven alles en de naaste als ons zelf. Immers in de eerste geboden zegt God: Ik wil gediend worden. En in de zes geboden van de tweede tafel zegt God dat wij onze naaste moeten dienen. Jezus noemt dit de twee samenvattingen waarop de hele wet en al de profeten gebaseerd zijn. Het eerste en grote gebod en het tweede daarnaan gelijk, liefhebben, God en onze naaste.

Vraag 94   Wat gebiedt God in het eerste gebod?
Dat ik, als mijn zaligheid mij lief is, alle afgoderij, toverij, waarzegging, bijgeloof, aanroeping van de heiligen of van andere schepselen, vermijdt en ontvlucht en de enige ware God op rechte wijze leer kennen, Hem alleen vertrouw, mij in alle ootmoed en geduld Hem alleen onderwerp, van Hem alleen al het goede verwacht en Hem met mijn gehele hart liefheb, vrees en eer, en wel zo, dat ik eerder alle schepselen prijsgeef, dan dat ik het minste of geringste tegen Zijn wil zou doen.

God zegt in het eerste gebod: Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Dat zegt God niet, omdat Hij bang is voor andere goden, want er is maar één God. De andere goden zijn geen goden, ook al worden ze dan soms door God en de mensen goden genoemd. Nee, dat doet God niet voor Zichzelf, maar dat doet God voor ons. Dat heeft de Catechismus goed begrepen, want de Catechismus zegt, als u nu uw zaligheid belangrijk vindt, dient dan naast mij de Heere God geen andere goden. Dat bedoelt God in het eerste gebod. Laten we niet het verkeerde doen , dat wat we graag willen, want dan gaan we zeker verloren, maar laten we luisteren naar wat God wil tot ons behoud. We mogen dus geen afgoden dienen of aan toverij en waarzeggen doen. Die tovenaars waren er ook in Egypte aan het hof van Farao. Ook mogen we geen heiligen aanroepen dus het aanroepen van Maria is ook zondig. We moeten de enige ware God leren kennen en Hem alleen vertrouwen. We moeten ons aan de Heere God onderwerpen en alles van Hem verwachten. Ongelovige mensen leren God niet kennen, want wie God leert kennen, gaat ook op Hem vertrouwen. Als u dan zegt, ja, maar wie is in staat om zo op God te vertrouwen. Maar dan zegt de Schrift ons dat u dit niet in eigen kracht kan volbrengen. Dan wijst de Schrift u altijd weer opnieuw naar die Borg, naar die Zaligmaker, Die gekomen is, onder de wet, opdat Hij de wet volbrengen zou en opdat wij door het geloof in Hem in Zijn inzettingen zouden wandelen. Als u de kracht ontbreekt om die keus te doen, denk dan aan de Heere Jezus Christus die alles volmaakt voor ons heeft onderhouden en verworven.

Dan vraagt de onderwijzer nog in vraag 95: Wat is afgoderij ? En dan antwoordt hij:
Afgoderij is in plaats van de enige ware God, die Zich in zijn Woord geopenbaard heeft, of naast Hem iets anders verzinnen of hebben, waarop de mens zijn vertrouwen stelt.

Dus niet op God vertrouwen maar op iets anders. Dat kunnen op zichzelf wel geoorloofde dingen zijn. U mag rijkdom hebben, als God het u geeft. We mogen zorg dragen voor ons leven, maar niet bezorgd zijn, want dan vertrouwen we in onze zorgen vaak niet meer op God en zoeken we vaak oplossingen zonder het aan God voor te leggen. De geboden van God zijn niet zwaar, de dienst van de Heere is niet zwaar. Jesaja verhaalt ons de heidenen met hun afgoden. Als er dan gevaar dreigt, dan ziet Jesaja een volk dat vlucht. En dat volk draagt hun goden mee. op hun rug: Nebo en Bel. Dan spot Jesaja daar mee: "Bel is gekromd, Nebo wordt nedergebogen" (Jes.46:1). Dat is de mens, die zijn afgoden op de rug draagt. Maar Israël heeft een God, Die Zijn volk draagt. (Jes.46:3,4) "Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypte­land, uit het diensthuis uitgeleid heb". Gij zult voor andere goden niet vrezen, maar gij zult Mij liefhebben.

Kennen wij ook iets van die liefde, ook met het oog op het eerste gebod: "Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag". Wat een heerlijke zaak! Maar het gaat in de wet om een God, Die Zijn Zoon Jezus Christus gegeven heeft, opdat door Zijn sterven een volk behouden zou worden. Hebt u de liefde in uw hart om de Heere te vrezen? God lief te hebben boven alles en de naaste als onszelf? Om zo de wet en de profeten te vervullen. Niet om onze zaligheid te verdienen, maar in kinderlijke afhankelijkheid van de Heere, om die geboden te doen uit dankbaarheid.
                         
                                                   T e r u g  n a a r  INDEX














 


a

LOGO






Sola Scriptura