Logo
Oleh-Dara-Nya

 

        

 


 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Antwoord   9. Gen. 1:27; Ef. 4:24; Gen. 3:4-6; Rom. 5:12; 1Tim 2:13, 14.

Antwoord 10. Gen. 2:17; Ex. 20:5; Ex. 34:7; Ps. 5:6; Nah. 1:2; Rom. 1:18; 5:12; Ef. 5:6; Heb.                     9:27; Deut. 27:26

Antwoord 11. Ex. 20:6; 34:6, 7; Ex. 20:5; 23:7; 34:7; Ps. 7:10; Nah. 1:2, 3; 2 Tes. 1:9.


Deze vierde Zondag spreekt ons van de schuldige mens tegenover de rechtvaardigheid
van God. We behandelen in deze Zondag de straf op de zonde


1.
 Deze vindt haar oorzaak in de schuld.
2.  Deze straf is naar de maat van Gods wet.
3. Heeft haar zekerheid in de rechtvaardigheid van God.

Inleiding
Is God rechtvaardig? Daar gaat het om. Immers, Hij komt met een eis, die we niet kunnen volbrengen; en het is toch de grondslag van elke wetgeving dat de wetgever datgene eist, wat redelijkerwijs binnen het vermogen van de mens ligt om dat te volbrengen. Wanneer we, zoals we gezien hebben, zo verdorven zijn, wij en onze kinderen, geen mens uitgesloten, zo verdorven dat wij helemaal onbekwaam zijn om iets goed te doen. Daar tegenover, dat we tot alle kwaad geneigd zijn. Als dat nu zo is, als dat nu van elk mens geldt, als dat begint bij de bron van het leven, bij onze ontvangenis en bij onze geboorte, dan is er toch ook geen opknappen meer mogelijk? Dan moet toch ook noodzakelijk de eis vervallen? Je kunt toch van een blinde niet eisen dat hij ziet en van een lamme dat hij loopt? En God staat op Zijn eis. Hij zegt: Ik eis volmaakte gehoorzaamheid. Wie in het minste ongehoorzaam is, die zal Ik straffen. Over die komt Mijn geduchte toorn met tijdelijke en eeuwige straf naar lichaam en ziel. Is dat dan niet juist onrechtvaardig van God?

Zo heb Ik u toch niet gemaakt, totaal verdorven
De redenering van God is als volgt: Hij zegt: Ja, maar mens, hoe komt het dan, dat u zo bent? Ik heb u toch zo gemaakt, dat u Mij liefhad? Ik heb u naar lichaam en ziel toegerust met alle sierlijke gaven. Ik heb u naar Mijn beeld gemaakt, u was rechtvaardig en heilig en in alles volmaakt. Daarenboven heb Ik u geplaatst in een lusthof. De eis, die Ik u stelde was een heel lichte eis. Tegenover de eeuwige beloning met de eindeloze gelukzaligheid heb ik maar een kleine proeftijd gesteld met een heel lichte opgave. Die opgave was: Van al de bomen in deze hof mag u vrij eten, maar van deze boom, die in het midden van de hof staat, niet. Van de boom van de kennis, van het goed en van het kwaad, daarvan mag u niet eten. De naam van die boom wees er al op hetgeen er gebeuren zou wanneer Adam en Eva ontrouw zouden zijn. Ze zouden dan niet alleen het goede, maar ook het kwaad kennen. Uit ondervinding het kwade kennen en daarmee hun heerlijkheid verliezen. God zegt: Mens, hoe komt het toch, dat u er zo ellendig aan toe bent? Hoe komt het, dat u bloedt uit duizend wonden? Hoe komt het dan, dat u zover van Mij af leeft? Dat is toch Mijn schuld niet, zo heb Ik u toch niet gemaakt? God heeft de mens zo geschapen staat er, dat hij dat kon doen en dat geheel vrijwillig. Ach, het is moeilijk voor de mens, die de zonde niet erkent als opstand en revolutie tegen God, om het eens te zijn met de straf. Als u de val ontkent, als u ontkent, dat er een tijd gekomen is in het leven van de reine mens, dat hij onheilig en onrein geworden is, dan is het natuurlijk onlogisch om te spreken over een straf, van een eeuwige straf, een straf van God over de mensen. Daar begint de ellende. Als u ontkent, dat zonde opstand is tegen God, dan lukt het u niet om te denken over de straf. En wanneer je ontkent, dat er een eerste mensenpaar geweest is in het Paradijs, dan is het natuurlijk ook moeilijk te geloven in de zondeval. Maar als de zonde in ons leven als zonde bekend wordt, als afval van God, als revolutie, als rebellie tegen God, dan wordt de straf billijk. Dan is het recht van God helemaal naar waarheid. Dan is er, omdat we tegen de Eeuwige God gezondigd hebben, ook een eeuwige straf die rechtvaardig is. Er moet ook in ieders leven een wonder gebeuren om het eerlijk voor God te kwijt te raken en om het eerlijk aan God te bekennen: o, God, het is waar wat U zegt. De waarheid van 'de val van de mens en de waarheid van de totale verdorvenheid van al zijn nakomelingen. Wat kan dat kindje er nu aan doen? Dat kindje van enkele uren oud. Dat kindje heeft toch niet om het leven gevraagd. Moet dat kindje nu ook de verdoemenis onderworpen zijn en als het sterft voor eeuwig verloren gaan? Druist dat niet in tegen elk gevoel van humaniteit, van menselijkheid? Druist dat niet in tegen alle normen van recht en wet? Wat kunnen die kinderen eraan doen? Wij hebben part noch deel aan de erfenis van Adam, wíj hebben toch niet gezondigd en wíj hebben toch niet het gebod van God overtreden.

Het nakroost van de eerste Adam, vindt alleen rust in de tweede Adam,
Jezus Christus

Boven ons menselijk weten en boven ons aanvaarden van Zijn rechtvaardigheid staat Hij, Die te rein van ogen is dat Hij het kwade zou kunnen zien. Zal de Rechter van de gehele aarde geen recht doen? Zal er verdraaidheid zijn in Hem, Die de rechtvaardigheid Zelf is? Ieder mens behoort de hand op de mond te leggen en te zwijgen voor God. Ik weet het. Daarmee zijn vele vragen niet opgelost en daarmee buigt ons hart van nature niet onder dit recht van God. Het zal God niet beletten Zijn recht te handhaven en te blijven Die Hij is. Zal onze onmacht, Zijn recht verslinden? Zal onze dodelijke schuld Zijn eis op ons kunnen verzwakken? O, zondaar, laat ons in die weg niet langer tegen God opstaan. Want, die in zijn hart verborgen of openbaar de verbintenis van Adam blijft ontkennen, vindt nooit de rust in die laatste Adam, Jezus Christus. Voorwaarde om de eeuwige vrede met God binnen te gaan, is het knielen onder de souvereine wil van God, dat Hij niet alleen onze eerste vader onder de straf der zonde deed komen maar ook in hem al zijn nakroost. Wie deze verbondshandeling met God ontkent, die heeft ook geen deel aan het andere verbond, aan die andere Adam, die laatste Adam, Jezus Christus. Hoe vernederend voor ons deze waarheid ook is, we willen eerbiedig voor God belijden, dat we in onze eerste vader als zijn nakomelingen door ingeven van de duivel en moedwillige ongehoorzaamheid ons van deze gave hebben beroofd. Door het ingeven van de duivel. De verzoeking van de duivel was zo in het oog lopend, dat Adam en Eva met de volmaakte kennis die God hen gegeven had, die list, die verleiding van de duivel door moesten hebben. De duivel, die ze wijsmaakte dat ze als God zouden zijn, wanneer ze naar hem zouden horen. Dat alleen al had Adam en Eva moeten afschrikken van zijn woord. Die misdaad, die heeft onze vader gewild. Samen met zijn vrouw heeft hij dit sinistere, dit duivelse spel tegen God gespeeld ten einde toe. Als wij nu weigeren dit te erkennen, dan blijft God toch op Zijn eis staan en dan komt de botsing. Wil God zo’n ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten? Ziet God het door de vingers? Beslist niet, maar God vertoornt Zich verschrikkelijk, zowel over de zonde die ons aangeboren is als over de zonden die wij doen, wil die dan ook door een rechtvaardig oordeel in tijd en eeuwigheid straffen. De overtreding tegen het gebod van God is een persoonlijke overtreding tegen de Wetgever.

Komen tot de enige troost, beide in leven en in sterven 
Wanneer de Geest van God het hart verlicht, dan gaan we het zien, dat de zonde, die we tegen vader en moeder bedreven hebben, zonden zijn tegen God. De zonden, die we tegen onze vrienden en vriendinnen bedreven hebben of met hen bedreven hebben, dat zijn zonden tegen God. Elke zonde of het nu diefstal is of dat het hoogmoed is of dat het gierigheid is of dat het eerzucht is, elke zonde is zonde tegen God, tegen de wet van God, tegen God zelf, een persoonlijke belediging van de majesteit van God. Daarom rekent God de zonde zo zwaar. En daarom is elke zonde, hoe klein ook in onze ogen, majesteitsschennis. Adam en Eva, zodra ze zich losgerukt hadden van God, voelden zich hulpeloos. Hoewel ze nog in het Paradijs leefden. De bomen bloeiden nog even mooi als gisteren en de vruchten hingen nog even mooi aan de takken als eergisteren, alles was nog even prachtig en mooi. En toch, zij krimpen in elkaar van angst. Zij weten zich geen raad meer. Zij zijn doodsbenauwd. Tussen twee haakjes, ziet u wel, al wordt de aarde een Paradijs, dat de mens toch niet gelukkig zal zijn buiten God en buiten Christus. Adam heeft ook even in dat Paradijs geleefd, maar hij was niet meer gelukkig, hij was diep ongelukkig, dood-ongelukkig. De verklaring bij deze “Zondag” is bedoeld dat we komen tot de enige troost, beide in leven en in sterven. Wie het vonnis niet aanvaardt, die zal ook nooit de zoete kracht van Gods genade ervaren. De hoop van zoiemand is ijdel en hun blijdschap is leeg en hol en aards. Want alleen wie dit leert bekennen, staat in ons troostboek geschreven, die hier aan de zijde van God leert staan en zegt: Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig, ik heb wegens erf- en dadelijke zonden tijdelijke en eeuwige straffen naar Uw rechtvaardig oordeel verdiend, voor die is er hoop. Want, daarom heeft de Heere ons de verschrikkingen van de hel laten prediken, opdat we zouden zoeken te ontkomen. Opdat we een weg zouden zoeken om daarvan verlost te worden.

De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Jezus
Opnieuw is er een vraag: Is God dan ook niet barmhartig? Ja, die barmhartigheid van God, die probeert men wel eens uit te spelen tegen de rechtvaardigheid. Dan zeggen we, hoe kan dat nu, als God liefde is, als God barmhartig is, hoe verhoud zich dat dan met een eeuwige straf, met een brandend vuur en een eeuwige pijn? Dan is hier op het antwood: Ach, die knoop zit niet in God, dat raadsel is niet in het Wezen van de Heere, maar die knoop zit in ons verstand, in ons hart, in onze ziel. Want, zegt de onderwijzer, God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig. Hij heeft Zijn hoogste barmhartigheid laten zien in de overgave van Zijn enig Kind. Dat God barmhartig is, dat roept Golgotha met luide stem. Want daar heeft Hij Zijn eigen Zoon niet alleen de straf doen dragen, die ons de vrede aanbrengt, maar ook de toorn doen voelen. Daar is Hij onder de toorn van God bezweken. Dat heeft Jezus het leven gekost. Onder die toorn van God is Hij gestorven. God de Vader heeft Zijn Zoon dood getoornd. Dat is aan het kruis gebeurd. En weet u waarom God dat gedaan heeft? Om verlorenen, zoals u en ik, voor eeuwig te kunnen behouden. Is dat geen liefde? Is dat niet de hoogste openbaring van de barmhartigheid van God? Dat Hij door de arbeid van Zijn enige, welbeminde Zoon zondaren stelt, die Hij in heerlijkheid opneemt, terwijl Hij Zijn eigen kind in de dood onder de bittere en hete toorn van Zijn gerechtigheid verloren doet gaan. Wie nog durft te ontkennen, dat God barmhartig is, is een goddeloze. Die moet wel met open ogen de waarheid, die hij leest, miskennen en verachten. En nu gaat het in deze “Zondag” in het bijzonder om Zijn rechtvaardigheid. Daarom eist Zijn gerechtigheid, dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf naar lichaam en ziel gestraft wordt. Dat is naar de wil van God. Dat eist Zijn gerechtigheid. Dat eist het Wezen Gods. God kan niet anders. God zou geen God zijn.

Milde handen, vriendelijke ogen, voor een schuldige zondaar
Dat is Gods laatste woord. Gods laatste woord tot de gebrokenen van hart. Tot de verslagenen van geest. Tot degenen, die voor dit donderwoord beeft. Die God Zijn recht terug geeft, die zeggen: Heere U hebt gelijk, ik ben zondig, ik ben altijd zondig geweest. Mijn leven is zondig, tot in de wortel bedorven. Uw doen is rein. Ik zal de gramschap van de Heere dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd (Micha 7:9). Ach, wie zo voor God wegzinkt, die zinkt niet in het eeuwige verderf, maar die valt in de genadearmen van een barmhartig Vader. Die zo voor God wegzinkt, die zinkt in de liefde armen van onze trouwe Borg en Zaligmaker. Die zo onder de gerechtigheid van God verloren gaat, die wordt opgevangen in de eeuwige armen van de liefde van God. Wanneer uw ziel schreeuwt: o, God, hoe kan het? Milde handen, vriendelijke ogen en dat voor een mens als ik ben? Dan leidt de Heilige Geest u naar Golgotha en daar zien we het, hoe genade van waarheid blij wordt ontmoet. De vrede met een kus van het recht begroet. Het doel van deze uitlegging is, dat u wegzinkend voor God, genade vinden zal in Zijn ogen en uw Rechter om genade smeken. En dan zult u de raadselen opgelost vinden in Hem, die op het kruis Zijn leven gegeven heeft, aan de gerechtigheid van God, en dan zult u uit Zijn striemen genade en vergeving en vrede met God ontvangen. En dan zult u God prijzen. Dan zult u God prijzen om de liefde, om de barmhartigheid, om de goedertierenheid om de trouw, waarmee Hij u omringd heeft. Maar u zult bovenal God prijzen om Zijn gerechtigheid. En die wonden van Jezus, die zullen we in de hemel nog aan Zijn handen en in Zijn voeten zien en we zullen daar Gods lof nog groter maken.

                           
















 


a

LOGO

Zondag-1






Sola Scriptura