Logo
Oleh-Dara-Nya

 

        

 


 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Antwoord 12.  Gen. 2:17; Ex. 20:5; 23:7; Ezech. 18:4; Heb. 10:30; Mat. 5:26; Rom. 8:3, 4

Antwoord 13. Job 4:18, 19; 9:2, 3; 15:16; Ps. 130:3; Mat. 6:12; 16:26; 18:25

Antwoord 14. Gen. 3:17; Ezech. 18:4; Ps 130:3; Nah. 1:6.

Antwoord 15. 1 Kor. 15:21; Heb. 7:26; Jes. 7:14; 9:5; Jer. 23:6; Luc. 11:22; Rom. 8:3, 4.


De vijfde Zondag gaat over de weg van de verlossing

1.
 Naar de gerechtigheid van God.
2.  Niet door eigen gerechtigheid.
3. Door een middelaar en verlosser.

Inleiding
Deze verlossing van de mens, zo staat het in deze Zondag, moet zijn naar de gerechtigheid van God. Dat staat heel duidelijk in het antwoord van deze twaalfde vraag. Daar staat namelijk: God wil dat aan zijn gerechtigheid wordt voldaan. naar de gerechtigheid van God zijn. Dan staat er vervolgens, dat het onmogelijk is, om door de gerechtigheid van een schepsel, of door de gerechtigheid van een engel of door de gerechtigheid van enig ander schepsel bevrijd te worden. Dus niet door eigen gerechtigheid.

Boetvaardigheid, is vrucht van de verlossing
In de vier vorige Zondagen is ons getrouw geleerd de grote ellende, waar wij allen in gekomen zijn. Nu begint er weer een nieuw hoofdstuk met deze vijfde Zondag, waar boven staat: "Van onze verlossing". Dat mag voor ons een wonder zijn. Wanneer je dat in je ziel ervaart, dan is het zo'n groot wonder, dat je zegt: O God, ik zal daar de eeuwigheid voor nodig hebben, om daarvan te zingen; dat U een deur hebt geopend in het dal van Achor. Dat er uit die gevangenis een uitgang gekomen is. Zodat er uit deze diepe put, waar ik in weggezonken ben, een koord is neergelaten, dat lang en sterk genoeg is om mij uit die ruisende kuil op te trekken, opdat m'n voeten weer gezet worden op het pad van de rechtvaardigen. God heeft een nieuw hoofdstuk in het leven van de mens gemaakt. Dat is al begonnen, toen God onze eerste ouders opzocht. Die deur is geopend door Gods genade. Nu is het is eindelijk zover gekomen, dat de mens hier in Zondag vijf zegt: Zo is het. Aangezien het zo is. Ik zie het. Ik beken het. Ik stem het toe, ik aanvaard het. Ja, daar begint de verlossing. Hoe vreemd het ook mag klinken, daar begint de verlossing. Zo´n boetvaardigheid zegt Calvijn, is vrucht van de verlossing. Want geen ziel kan werkelijke boetvaardigheid beoefenen, behalve wanneer hij gelooft dat hij eigendom van God te is. Dat is een van de gouden regels, die Calvijn heeft gesteld, geheel in
overeenstemming met de praktijk van de godzaligheid. Hier begint een mens aan de kant van God te staan en zegt hij: “Heere, aangezien het zo is”. Hij twist niet meer. Hij zegt niet: Als dat nu eens zo is, indien het zo is, stel nu eens, dat het zo is. Hij zegt: Aangezien het zo is. Ik heb het gezien, ik stem het toe. Ik buig het hoofd. Ik leg de wapens neer. Daar begint het wonder; het grote wonder van Zalig worden. Dat begint daar, waar de mens zich onder God gewonnen geeft.

Wanneer de Heilige Geest ons zaligmakend ontdekt, erkennen we
onze schuld

Dat een mens het dan toch eens kan worden met God. Dat is ook niet mogelijk, behalve wanneer God ons Zijn genade geeft. Wanneer Hij Zijn liefde in ons hart uitstort. Wanneer Hij ons laat zien door Zijn Heilige Geest, dat God het bij het rechte eind heeft, dan beginnen we te bekennen, Uw doen is rein en Uw vonnis geheel rechtvaardig. En toch als hier de onderwezene, de leerling zegt: Nu zie ik het, ik heb het oordeel verdiend, ik zal U niet langer tegenspreken, ik zal niet langer opstandig zijn, ik zal niet langer opstandig tegen U zijn, dan legt hij toch het hoofd nog niet in de schoot. Wanneer we onder druk komen, als straffen komen, als oordelen komen, als het niet goed gaat in ons leven, als onze lichaamskracht wordt afgebroken, dan zijn we allen nog wel bereid om zoals een slaaf buigt onder de zweep van zijn meester, te zeggen: Ontfermt U Heere, wees mij genadig. Dit is nu het kenmerkend onderscheid, wanneer de Heilige Geest, als de Geest van Christus, ons ontdekt. Wanneer de Heilige Geest ons zaligmakend ontdekt, dan gaat Hij nog dieper, dan gaat die ontdekking niet alleen over de gevolgen van de zonde, maar zoals we in de vorige hoofdstukken gezien hebben, over de zonde zelf. Maar dan gaat bíj die ontdekking en bíj die bekentenis van eeuwige en tijdelijke straffen verdiend te hebben, 't gebed tot God op: O God, ik heb het verdiend, dat is waar, maar is er dan nog een middel, waardoor we deze straf zouden kunnen ontgaan en opnieuw tot genade komen?

De Heilige Geest doet ons weer tot God roepen
Ik heb het al meer gezegd. En dit moet je op de wanden van je hart schrijven; God maakt een mens hulpeloos, radeloos, uitzichtloos, maar dan op en van zichzelf. Niet ten opzichte van Hem. 't Is nooit het werk van de Heilige Geest om de mens radeloos te maken ten opzicht van God. Het is juist het werk van de Geest, vanaf het eerste ogenblik, dat onze ziel weer tot God roept, dat we weer van Hem onze hulp gaan verwachten. En daarom, wanneer de Heere ons zo’n kennis geeft in het hart, dat we naar het rechtvaardig oordeel van God tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, dan geeft Hij het ons de indruk op datzelfde moment in ons hart "het gevoel in ons hart", dat hoewel we dat gedaan hebben en rechtvaardig door God konden verstoten worden, we toch zoveel in God zien, dat we gaan vragen: Heere, is er dan nog ontkoming? Het erge van deze straf, dat is het gemis van God, tegen Wie we gezondigd hebben. En, Die te missen is voor degene, die door de Geest ontdekt wordt, onhoudbaar. Daar is hij banger voor dan voor de dood. Daar is hij meer bedroefd over, dan over al de slagen, die God hem in het rechtvaardig oordeel ooit geven kan.

De straf kan alleen worden weggenomen door de kruisdood van Christus
In de hof van Gethsémané, heeft de Borg nog gesmeekt of de gemeenschap met Zijn Vader niet restloos verbroken zou behoeven te worden. Ja, dit is het eigenlijke van het zaligmakend werk. In de ontdekking van onze schuld, dat in dit kritieke ogenblik, als het niet meer gaat om de straf als zodanig, we het gemis van God niet meer dragen kunnen. In het verdere van het leven van een kind van God leren we, dat deze straf alleen kan worden weggenomen door de kruisdood van Christus. We leren in de praktijk van ons leven, dat die straf niet kan worden weggenomen, behalve als aan de gerechtigheid van God genoeg kan worden gedaan en op welke mannier dat gebeurt. Maar deze noodkreet is het schreien van de verloren zoon, die zegt: Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel, en voor u en ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden; maak mij als een van uw huurlingen. En opstaande ging hij naar zijn vader (Luk.15:18-20). En opnieuw tot genade komen. Dat is toch de drijfveer, dat is toch de diepe betrekking door de Geest gewerkt, om weer tot genade te mogen komen. En die genade is de vereniging met God. Niet alleen bevrijding van de straf, maar weer vereniging met God. Sion zal door recht verlost worden, en wie van haar zich bekeren, door gerechtigheid. (Jes.1:27).

God wil dat aan zijn gerechtigheid wordt voldaan
Het recht van God, gaat hand in hand met de liefde van God. En de openbaring ontving de volle heerlijkheid in de overgave van de Heere Jezus Christus. Want nooit heeft de Heere God duidelijker Zijn gerechtigheid geopenbaard, dan toen Hij Zijn enige Zoon aan het kruis liet hechten. Als er in de hel wordt geroepen: Is er nog een middel om uit deze plaats te komen dan zegt God van zijn troon: van daaruit is geen redding mogelijk. Wij leven nog in de tijd van de genade en in de tijd van de genade is er een antwoord van God en dat antwoord dat klinkt; God wil dat aan zijn gerechtigheid wordt voldaan. Dat wil God, daar gaat God niet vanaf. Zo heeft God het gezegd, en deze gewilligheid werkt Hij ook in ons hart. Hoe dat dan moet, dat weet ik dan niet, zolang als Christus Jezus me niet geopenbaard is en God het wonder aan mijn hart niet bevestigt, weet ik het niet, maar er is wel een begeerte om het te mogen weten: hoe dat aan Zijn gerechtigheid genoeg gedaan wordt. Dat aan Zijn gerechtigheid wordt voldaan wij moeten aan haar òf door onszelf òf door een ander volkomen betalen. Let op, wij moeten betalen. Want onze zonde is schuld voor God. En schuld kan niet met liefde goedgemaakt worden. Schuld moet in de weg van het recht goed gemaakt worden. Dan moet betaald worden en dan geldt geen liefde, dan geldt enkel recht. Er moet betaald worden aan God. Ik moet betalen. Maar dan wordt er een deur geopend en dan komt er toch een lichtstraal. Ik moet door mijzelf betalen of ik moet door een ander betalen. Wel volkomen betalen. Door mijzelf of door een ander. Dat leert de wet niet. De wet spreekt alleen van betalen zondermeer. De wet zegt niet: door jezelf of door een ander! Dat leert ons Gods Geest. Dat leert ons het woord van God.

Er wordt aan Gods gerechtigheid voldaan door een Ander
God heeft ons het geopenbaard, dat grote geheim, waar de heidenen maar niet achter kunnen komen. Dat geheim, dat in het hart van een mens nooit is opgekomen. Dat geheim, waar de engelen begerig zijn in te blikken. Dat God ruimte laat om door een ander te betalen. Dat zal straks onze zaligheid worden, wanneer wij betaald hebben door die Ander. Kan er ergens iemand gevonden worden; een schepsel, een schepsel zondermeer, dat voor ons kan betalen? Bijvoorbeeld een dier. Het bloed van dieren, dat is niet besmet. Dieren hebben rein bloed. Ze hebben geen zondig bloed. Daarom moesten er onder het oude verbond dieren geslacht worden. Net zolang, totdat het bloed van Het Lam geslacht is. Het bloed van de dieren is geen zedelijk bloed, dat wil zeggen: een dier is geen schepsel met verstand en wil, dat zichzelf kan offeren voor God. Het bloed van het dier wordt afgenomen, maar daar is God niet mee tevreden, omdat het geen redelijk zedelijk schepsel is. Betaald moet er worden door het bloed van een redelijk zedelijk schepsel. Gegeven moet het worden uit enkel liefde tot God en dat kan geen dier. Dat kan ook geen engel. Want een engel heeft geen bloed en een engel heeft geen lichaam. Een engel kan in onze plaats niet lijden en sterven. Engelen zijn gedienstige geesten ter zaligheid uitgezonden, voor degenen, die de Heere vrezen. Zij kunnen dus ook onze middelaar niet zijn.

Wat voor een Middelaar en Verlosser moet de mens zoeken
Wat moeten we dan voor een middelaar en verlosser zoeken? Als het nu in ons niet is en buiten ons niet is, als er geen enkel schepsel is, hoe moeten we dan verlost worden? Waar moeten we dan zoeken naar een middelaar of een verlosser? Er wordt niet meer gesproken van een middel maar van een middelaar. De onderwijzer leidt ons heen, helmaal in overeenstemming met de werking van de Geest van God, naar de Middelaar. De Middelaar van God en van de mens. Zoals God ook in de praktijk van ons hart doet. Bij de een in korter, bij de ander in langer tijd. Maar al degenen, die zo snakken naar de gemeenschap met God, naar de vrede en naar de gerechtigheid, die wijst God stap voor stap heen naar die fontein, die geopend is tegen de zonde. En geliefden, dit wonder komt van God Zelf. Wat moeten we dan voor een Middelaar en voor een Verlosser zoeken? Hoort u het? Die Middelaar en Verlosser, die moeten we zoeken. Die moeten we niet bij onszelf zoeken, niet bij een schepsel, niet bij de heiligen, want ze kunnen onze Middelaar niet zijn. Maar we moeten die Verlosser zoeken, dáár waar God Hem heeft geopenbaard. In het Woord van Zijn genade. Wat voor een Middelaar en Verlosser moeten we zoeken? Dan zegt het antwoord: Een Middelaar die een echt en rechtvaardig mens is en toch sterker dan alle schepselen, dat wil zeggen: die tegelijk echt God is.

God heeft Zichzelf met de mensen verzoend, in het offer
van Zijn Zoon Jezus Christus

Wat is een Middelaar? Dat is een Bemiddelaar tussen twee partijen. Tussen God als Rechter en de zondaar als schuldige. Nu heeft God van eeuwigheid de wereld in Christus met Zichzelf verzoend. God heeft niet Christus met de mensen verzoend, maar God heeft Zichzelf met de mensen verzoend, met de wereld verzoend. Die nieuwe mens die straks op die nieuwe aarde leven zal. Dat heeft Hij gedaan in het offer van Zijn Zoon Jezus Christus. Zie dit is nu het grote wonder van de genade van God; God heeft Zelf voor het offer gezorgd en dat offer, dat is voortgekomen uit het hart van God. Dat is niet ons kind. Dat is niet degene die wij hebben voortgebracht. Het is de enige Zoon van God die God, uit eeuwige innerlijke barmhartigheid, Die Zoon tot een Middelaar gegeven en Die laat Hij ons verkondigen. Wel, als er nog zijn, die in die diepe put zitten, waarin geen uitweg is, die zich verloren weten voor God; die zeggen: O, God hoe moet het met mij? Want Uw wet getuigt tegen me. Ik heb tegen al Uw geboden zeer zwaar overtreden. Christus ken ik niet, mezelf kan ik niet verlossen, mijn krachten schieten tekort. Dan zegt de onderwijzer: Wat moeten we dan voor een Middelaar zoeken? Hoe moeten we uit deze ellende verlost worden? Dan zegt God van de hemel: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb; luister naar Hem! (Matth.17:5).


                        
















 


a

LOGO






Sola Scriptura