Logo
Oleh-Dara-Nya

 

        

 


 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Antwoord 16.  Jes. 53:3-5; Jer. 33:15; Ezech. 18:4, 20; Rom. 5:12-15; 1 Kor. 15:21; Heb. 2:14-16; Ps. 49:8; Heb. 7:26, 27; 1 Petr. 3:18.

Antwoord 17. Jes. 9:5; Rom. 1:4; Heb. 1:3; Deut. 4:24; Nah. 1:6; Ps. 130:3; Jes. 53:4, 11;
Jes. 53:5, 11; Jes. 54:8; Joh. 3:16; Hand. 20:28; 1 Petr. 3:18.

Antwoord 18. Jer. 23:6; Mal. 3:1; Rom. 8:3; Gal. 4:4; 1 Joh. 5:20; Luk. 1:42; 2:6, 7; Rom. 1:3; Fil. 2:7; Heb. 2:14, 17; 4:15; Jes. 53:9, 11; Jer. 23:5; Luk. 1:35; Joh. 8:46; Heb. 4:15; 7:26; 1 Petr. 1:19; 2:22; 3:18; Mat. 1:23; Luk. 2:11; Joh. 1:1, 14; 14:6; Rom. 9:5; 1 Tim. 2:5; 3:16; Hebr. 2:9; 1 Kor. 1:30; 2 Kor. 5:21.

Antwoord 19.. Gen. 3:15; Gen. 12:3; 22:18; 26:4; 49:10; Jes. 42:1-4; 43:25; 49:6; 53;
Jer. 23:5, 6; 31:32, 33; Micha 7:18-20; Joh. 5:46; Hand. 3:22-24; 10:43; Rom. 1:2; Hebr. 1:1.
Kol. 2:17; Hebr. 10:1, 7; Rom. 10:4; Gal. 3:24; 4:4, 5; Kol. 2:17.


De zesde Zondag gaat over de Middelaar tussen God en mens

1.
 De vereisten van deze Middelaar.
2.  De zegeningen van deze Middelaar.
3.  De kenbron van deze Middelaar.

Inleiding
In deze Zondag wordt ons de Middelaar ontvouwd. Wat de onderwijzer ons tot nog toe geleerd heeft, dat is juist dit, dat wij een verlosser moeten hebben. Daar waren we gebleven. We moeten in de eerste plaats verlost worden en dan als verloste mensen wandelen. Achter Jezus Zijn voetstappen drukken, Zijn beeltenis dragen, maar we moeten eerst verlost worden. Verlost worden, dat kunnen we niet door ons zo goed mogelijk op te poetsen, opdat we enigszins de beeltenis van Christus in dit leven zouden gaan vertonen. Maar verlost moeten we worden door het wonder van Gods genade, dat is nodig voor u en voor mij. Wat moeten we dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken? We moeten een verlosser zoeken, die een werkelijk en rechtvaardig mens is. Hij moet ook sterker zijn dan alle schepselen. Hij moet ook waarachtig God zijn. Hij moet dus mens zijn, een echt mens van vlees en bloed. De onderwijzer antwoord dan: Dat eist de rechtvaardigheid van God, want vlees en bloed, ziel en lichaam, heeft gezondigd. En nu moet vlees en bloed, ziel en lichaam zich aan de rechtvaardige straf van God onderwerpen.

Jezus ons vlees en bloed, maar zondeloos
De mens, die in zijn hoogmoed naar God greep, waarvan God zei, na de zondeval, zie de mens is geworden als een van Ons, in het goed en het kwaad. God heeft die trouweloze mens, die afgevallen mens, die rebellerende mens opgezocht en gezegd: mens u wilde worden zoals Ik, in de weg van de afval en de ongehoorzaamheid, nu zal Ik worden zoals u, om u uit de diepte van uw verlorenheid op te heffen. God is neergedaald tot de mensen. Eén zijn met ons. Wat Pilatus gezegd heeft, dat heeft een diepe kern van waarheid. "Ziet de mens". Als Jezus daar staat, bespot en bespogen, belasterd en gegeseld, omhangen met een spotkleed en dragend een doornenkroon, met in Zijn hand een rietstaf, toen heeft hij gezegd: Ziet de mens en dat was waar! Hier staat de mens, de nieuwe mens, de mens door God op deze wereld gezonden onder de eis van de wet en onder de vloek van de wet, onder de goddelijke toorn. En als mens moest hij God liefhebben boven alles en zijn naaste als Zichzelf. Daarom is Hij geworden, Die Hij geworden is, daarom is Hij geboren uit de maagd Maria, door de ontvangenis van de Heilige Geest. Hij is de zoon van het vrouwenzaad. Hij is niet de zoon van Adam. Hij mocht niet met onze zonden en vervloeking uit hoofde zijn menselijke natuur, met erfzonden op de aarde komen. Hij was krachtens zijn geboren worden niet de dood en de verdoemenis onderworpen. Want Hij was zeer in het bijzonder het zaad van de vrouw, maar dan zo, dat Hij ons vlees en bloed heeft aangenomen. Hij moest liefhebben, Hij moest God liefhebben boven alles, als mens en zijn naaste als zichzelf. Dat moest Hij, want Hij moest de wet onderhouden en de eeuwige gerechtigheid, het eeuwige leven, de hemel verdienen voor degenen, voor wie Hij neerdaalde. Daarvoor moest Hij ook rechtvaardig mens zijn. Wanneer Hij zelf zonde had, dat is begrijpelijk, dan kon Hij niet voor anderen betalen. Hij kon het zeggen: Wie van u overtuigt Mij van zonden (Joh.8:46).

Hij moest werkelijk God zijn,
om de toorn van God in Zijn mensheid kunnen dragen

God is buiten Christus een verterend vuur en een eeuwige gloed.Christus moest ook meer zijn dan een waarachtig en rechtvaardig mens. Hij moest uit de dood kunnen opstaan en moest als de Levensvorst in deze wereld heerschappij hebben. Om ons, die van nature dood zijn in zonden en misdaden te verlossen uit de staat van onze dood en ons in Zijn gemeenschap in te lijven. En daarom staat er: Hij moest werkelijk God zijn. Hij moest uit kracht van Zijn Godheid, de last van de toorn van God in Zijn mensheid kunnen dragen. De last van de toorn van God, die op Zijn mensheid kwam, moest Hij als mens kunnen dragen. Dat zou Hij niet gekund hebben, indien Zijn godheid hem daarin niet ondersteunde. Indien Hij niet staande gehouden werd in de poorten van de dood. Die godheid moest Hem ondersteunen, opdat Hij ook als mens weer Zijn volk, de doden, het leven zou kunnen geven. Hij moest dus als mens versterkt worden door Zijn godheid, maar Hij moest ook de gerechtigheid en het leven aan ons kunnen teruggeven. Verwerven heeft Hij gedaan in Zijn gehoorzaamheid en in Zijn lijden. Hij moest gehoorzamen, maar moest daarenboven lijden. De straf dragen, de gemaakte schuld boeten. Dat heeft Hij gedaan en daarin, in dat gehoorzamen en in dat lijden, in dat wegdragen van de straf heeft Hij het eeuwig leven verworven.

Om God weer te kunnen verheerlijken, heeft de mens
een Verlosser nodig

Ons hart gaat door de ontdekking van de Heilige Geest vragen naar die weg, waarin Gods deugden verheerlijkt en onze ziel vrede vinden kan. Dan gaat het niet in de eerste plaats om vereffening van de schuld. Dan gaat het in de eerste plaats om de verheerlijking van Gods deugden. Dan is het niet enkel een vraag met het verstand om veel te mogen weten, maar dan is het een vraag, een schreeuw van het hart om een Verlosser; niet alleen om verlossing, maar om een Verlosser. Dan wordt er in het hart een behoefte geboren aan een Verlosser. Een "Iemand" die voor ons instaat, die onze zaak bepleit en beslecht. Die voor ons de schuld wegdoet en die voor ons de hemel opent. Wie is deze Middelaar, die tegelijk waarachtig God en tegelijk waarachtig rechtvaardig mens is? Hier stijgt ook een intens verlangen op, om God eeuwig te mogen verheerlijken en met al de heiligen samen te mogen onderzoeken de lengte, de breedte en de diepte van die goddelijke verlossing door het bloed van onze dierbare Borg en Zaligmaker Jezus Christus onzen Heere, Die ons van God tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en tot een volkomen verlossing geschonken is.

Een volkomen verlossing, een gift uit de hemel
Ik ben mezelf niet toebetrouwd, wilt U mijn Leidsman zijn, wilt U mijn Vader zijn,, leid U mij voort over het smalle pad. "Gegeven" staat er, tot heiligmaking en tot een volkomen verlossing. Dat ligt eigenlijk al besloten in dat: tot wijsheid, rechtvaardigheid en heiligheid, maar de onderwijzer weet geen woorden te vinden om dit eeuwig heil uit te beelden. Daarom benadrukt hij: tot een volkomen verlossing. Tot een verlossing in dit leven, een verlossing van mezelf, tot een verlossing van de duivel, tot een verlossing uit de machten van deze tegenwoordige boze wereld. Tot een eeuwige verlossing. tot een verlossing voor mij en mijn zaad, naar Gods verbond tot een eeuwige verlossing. Tot een volkomen verlossing geschonken is. Een goddelijk geschenk, het is een gift uit de hemel. 't Komt uit het wonder van Gods genade voort. Geen oog gezien, geen oog nagespeurd. God heeft het ons geopenbaard. Een schijngelovige begrijpt deze dingen niet. Hij begrijpt niet, hoe dat we zo diep vernederd kunnen zijn, zo hartelijk verbroken, dat we geen gedaante meer hebben overgehouden, vanwege het wonder van Gods genade.

De verlossing geopenbaard in de schaduwen van het Oude Testament
Maar hoe komen we nu aan deze heerlijke dingen? De onderwijzer zegt: Dat weten we nu uit het heilig Evangelie. Dus niet, omdat de kerk het zegt, omdat het in de traditie verankerd is. We weten het uit het heilig Evangelie, hetwelk God zelf eerst in het Paradijs heeft geopenbaard en daarna door de heilige patriarchen en profeten heeft laten verkondigen en door de offeranden en andere ceremoniën van de wet laten voorbeelden en als laatste door Zijn eniggeboren Zoon vervuld heeft. God heeft het geopenbaard staat er. De verlossing is niet het product van de denkkracht van de theologen. De verlossing is openbaring. Daarop hebben de ouden onder het Oude Testament, levend onder de dienst van de schaduwen, zich verlaten. Ze hebben de glorie van het Evangelie aanschouwd en hebben op hoop tegen hoop, gehoopt op God. De Heere heeft het laten verkondigen door de dienst van de schaduwen in het lam dat geslacht werd, in het bloed dat vloeide, in de hogepriester, die verzoening deed voor Zijn volk voor het aangezicht van God. In al die schaduwen in het Oude Testament. Hoe heerlijk is het Oude Testament, wanneer we het lezen in het licht van het Nieuwe Testament. wat is dan het Oude Testament ook een heerlijk Evangelie. Nee, dan hebben we er geen behoefte aan, en het zou een vreselijke verschraling zijn, wanneer we dat dierbaar boek van het Oude Testament dicht lieten. 't Is vol van Jezus, vol van Gods erbarmen, vanaf de eerste verkondiging van het Evangelie tot aan de boodschap van Maleachi. Ziet Hij komt. En tenslotte staat er: vervuld, als laatste door Zijn eniggeboren Zoon, vervuld onder de tijd van het Nieuwe Testament.

God kennen in de Zoon van Zijn eeuwige liefde
Dierbaar Evangelie: als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en blijdschap van mijn hart (Jer.15:16). O, heilig bijbelboek, o, zoete reisgids op de pelgrimsreis door dit leven. Ik dank U, Vader van onze Heere Jezus Christus, dat U ons Uw heilig Evangelie geopenbaard hebt en de ingewanden van Uw barmhartigheid onder ons hebt getoond. Opdat we U zouden kennen in de Zoon van Uw eeuwige liefde en hier op aarde, met al degenen, die Uw naam werkelijk hebben liefgekregen, Uw naam zouden verheerlijken naar de grootheid van Uw barmhartigheid door de werking van Uw Heilige Geest. Totdat we daar zullen zijn, waar de laatste zonde ons voor altijd zal ontvallen; waar we onszelf nooit meer tot een hinderpaal zullen zijn. Waar de kudde in de schaapskooi, rondom de Herder, eeuwig weiden en drinken zal uit de zuivere stromen van het water des levens om niet.


                         

















 


a

LOGO






Sola Scriptura