Logo
Oleh-Dara-Nya

 

        

 


 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zondag-1

 

 

 

 

 

Antwoord 20.  Mat. 7:14; 22:14; Ps. 2:12; Mark. 16:16; Joh. 1:12, 13; 3:16, 18, 36;
Rom. 3:22; 11:20; Hebr. 4:2, 3; 5:9; 10:39; 11:6.

Antwoord 21. Rom. 4:20, 21; Heb. 11:1, 3; Jak. 1:6; Ps. 9:11; Rom. 4:16-21; 5:1; 10:10;
Ef. 3:12; Heb. 4:16; Mat. 16:17; Joh. 3:5; 6:29; Hand. 16:14; 2Kor. 4:13; Ef. 2:8; Fil. 1:29;
Mark. 16:15; Hand. 10:44; 16:14; Rom. 1:16; 10:17; 1 Kor. 1:21; Hab. 2:4; Hand. 10:43;
Rom. 1:17; Gal. 3:11; Heb. 10:10, 38; Luk. 1:77, 78; Joh. 20:31; Hand. 10:43; Rom. 3:24; 5:19; Gal. 2:16.

Antwoord 22.. 
Mat. 28:19; Mark. 1:15; Joh. 20:31.


De zevende Zondag gaat over het zaligmakend geloof

1.
 De noodzaak van het geloof.
2.  De aard, de essentie van het geloof.
3.  Het voorwerp van het geloof.

In het eerste punt: Dus de noodzaak, omdat niemand zonder het zaligmakend geloof behouden kan worden.
In het tweede punt: De aard, de essentie van dit geloof, waarin bestaat dat geloof eigenlijk, wat is dat nu eigenlijk een geloof, dat zalig maakt.
In het derde punt: Wat moet de mens met dat zaligmakend geloof nu eigenlijk geloven, wat is het voorwerp van dat geloof en waar moet dat geloof zich op richten?

Inleiding
In de vorige Zondag heeft de onderwijzer vastgesteld, daar is een Verlosser, namelijk onze Heere Jezus Christus. Hij is genoemd met die dierbare namen, waarmee Hij in het Evangelie geopenbaard wordt. Vanzelfsprekend moet dan de volgende vraag zijn: als er nu een verlossing is, ja, als de Verlosser is gekomen, voor wie is Hij dan gekomen? Mogen dan alle mensen, zondermeer, vaststellen, dat Hij ook voor hen gekomen is? Er staat: gelijk alle mensen dóór Adam verdoemd zijn geworden. Dat betekent nu niet, dat Adam mensen verdoemd heeft, maar dat is nu een korte samengetrokken zin. Het betekent natuurlijk, dat wij door de zonden van Adam, voor God verdoemd zijn geworden, om hetgeen hij ons als een erfenis heeft nagelaten. Wij zijn allen voor God als een onreine. Daar is niemand die goed doet, ook niet tot één toe.

Het Evangelie verkondigt zaligheid, aan ieder die gelooft
In feite is de leer, dat Jezus voor alle mensen heeft genoeg gedaan, een troosteloze leer. Degene dit leren, leren ook altijd, die ene schakel zit aan de andere vast. Dat wil zeggen dat wij dan de zaligheid door "onze bijdrage" moeten verkrijgen. Dan is de zaligheid toch weer door onze inspanningen. En er is niets troostelozer voor een mens, die aan de weet gekomen is, dat hij een verdorven hart heeft, dat hij tot God niet kan opklimmen, dan de leer dat Jezus voor alle mensen gestorven is. En dat mensen van goede wille; dat nu die mensen, die zich uitzonderen boven de anderen, ook werkelijk deel zullen krijgen aan die verlossing. Op deze manier meent men dan wel een rijk Evangelie te brengen, maar men brengt de mensen opnieuw onder het juk van de wet, terwijl van enige vertroosting geen sprake is. Wat heb ik aan zo'n verlosser, wanneer mijn handen lam zijn, wanneer mijn voeten niet kunnen gaan, wanneer mijn hart ondeugdelijk is om te "kunnen willen" zalig te worden? Nee, het Evangelie van Gods genade is veel rijker, dat stelt niet een"mogelijkheid" tot zalig worden, maar "dat verkondigt zaligheid". Vast en zeker, schuldig mensenkind, God is barmhartig aan ieder, die gelooft, dus niet alle mensen worden zalig, zoals alle mensen in Adam verdoemd zijn geworden, maar zij, die door een waar geloof Hem worden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen, die worden zalig.

Die Hem door een waar geloof worden ingelijfd
Wanneer de onderwijzer zegt: Nee alleen degene, dan kijkt hij naar die velen, ja die ontzaglijk velen, die niet geloven; die niet willen, die weigeren hun hals te buigen onder het juk van Christus. Als de onderwijzer dit zegt, dan stelt hij dit met smart vast. Omdat het Woord zo spreekt en de ervaring het ons leert. Nee alleen degene, die Hem door een waar geloof worden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen. Hier had óók kunnen staan:
Nee alleen degene, maar alléén Gods uitverkorenen. Toch doet de onderwijzer het niet. Niet, omdat hij daarvan niet overtuigd is en ook niet, omdat hij die waarheid enigszins wil verdoezelen, er het liefst niet over wil spreken. Wij kennen de onderwijzer uit ons troostboek, dat hij de volle raad van God heeft verkondigd, zonder omwegen. Maar de onderwijzer stelt zich hier op het standpunt van, hetgeen wij zien en van, hetgeen God ons heeft geopenbaard. Hij tast hier niet naar de verborgen kant van Gods besluit, maar verkondigt ons de geopenbaarde zijde. En dan zegt hij: alleen degenen, die Hem door een waar geloof worden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen. Zoals Gods besluit de scheidslijn trekt van eeuwigheid, voor ons verborgen en onbekend, zo trekt het geloof in de tijd, de zichtbare scheidslijn tussen de kinderen van God en de kinderen van de wereld. Alleen degenen die Hem door een waar geloof worden ingelijfd.

Strijd om binnen te gaan door de enge poort
Waneer de vraag komt tot Jezus, Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden? Dan geeft Jezus daarop geen antwoord, maar gaf het antwoord: Strijdt om in te gaan ! Dat was de boodschap, die deze man en hij niet alleen, maar al degenen, die bij Jezus stonden, hoorde. Strijd om binnen te gaan door de enge poort, want velen, zeg Ik u, zullen proberen binnen te gaan en het niet kunnen, namelijk vanaf het ogenblik dat de Heer des huizes is opgestaan en de deur heeft gesloten. Dan zult u beginnen buiten te staan en op de deur te kloppen en te zeggen: Heere, Heere, doe ons open. En Hij zal antwoorden en tegen u zeggen: Ik weet niet waar u vandaan komt. Mensen let er op, dat is noodzaak, u kunt in het leven ontzettend veel dingen missen en toch niet ongelukkig zijn. Rijkdom en armoede is maar betrekkelijk. Wat de een ziet als blakende rijkdom, daarvan zegt de ander: Heel gewoon. En wat voor de een schrijnende armoe is, daar voelt de ander zich er goed bij. Dat is zijn leven, dat is maar betrekkelijk, wij kunnen vele dingen missen, en toch niet ongelukkig zijn. Maar wanneer ik dit mis, het echte geloof, dan zijn wij werkelijk ongelukkig. Dat is het, wat de onderwijzer hier wil zeggen. Hij wil zeggen: Mensen, als je dat geloof, dat waar zaligmakende geloof mist, dan ben je de ellendigste van alle mensen.

Inlijving in Christus door wedergeboorte, die de zondaar levend maakt
Op dit geloof komt het aan. Alleen, die Hem door een waar geloof worden ingelijfd. Hem, dat is Jezus Christus. Dus het gaat hier om het ware geloof. De verhouding tot Christus is beslissend voor ons leven. En dan noemt de onderwijzer twee dingen. Hij zegt: dat wij door een waar geloof Christus moeten worden ingelijfd, en, al Zijn weldaden aannemen. Dat zijn twee onderscheiden zaken, die onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn, maar toch onderscheiden moeten worden, tot vertroosting van de harten van de gelovigen. Er wordt eerst gesproken over een inlijven. In Hem inlijven door een waar geloof. Het gaat er in de eerste plaats dus om, dat wij moeten worden ingelijfd in Christus, dat is de eerste daad. Dat doet God. Die inlijving heeft plaats op het ogenblik van de wedergeboorte. Dat is de inlijving in Christus, wanneer God door de prediking van Zijn Woord en door de kracht van Zijn Heilige Geest, de dode zondaar levend maakt. Hij neemt hem uit het rijk van de vorst der duisternis en plaatst hem in het regiment van Koning Jezus. Dan neemt God een zondaar en haalt hem van onder de macht van satan en brengt hem onder de macht van Jezus Christus.

Wedergeboorte, levendmaking, inlijving, de rank wordt
in de wijnstok Christus ingeënt

Ik noem u het hoofdkenmerk van het waar zaligmakend geloof. Wanneer wij in Christus zijn ingeplant en dat gebeurt in wedergeboorte, dan zijn wij levend geworden. Al dat andere geloof dat soms ook wel met de naam van geloof genoemd wordt, het historieel- geloof, het wondergeloof, het tijdgeloof, zij mogen schoon bloeien, zij mogen grote gedaanten vertonen, maar het verbindt niet aan God. Het verbindt niet aan Christus, het maakt niet levend. Nu vraagt u natuurlijk, ja, maar als nu die eerste daad, een daad van God is, een souvereine daad van God, een daad van God, waar ik zelf niet aan mee kan werken, waarvan onze vaderen zeggen in de vijf artikelen tegen de remonstranten: die God zonder ons, in ons werkt; waaraan kan ik dan weten of ik dat oprechte geloof bezit? Of ik de Heere ben ingelijfd? Wel, dan staat hier als een twee-eenheid: en al Zijn weldaden aanneem. Dus waar er een inlijving is in de "militia Christi," in het leger van Jezus Christus, dat is het lichaam van Jezus Christus, daar komen ook levenswerkzaamheden. Op hetzelfde moment, dat de rank in de wijnstok wordt ingeënt; zo gelooft hij door de hem geschonken genade en op datzelfde moment wordt een dode zondaar levend en de levenstekenen gaan zich van dag tot dag openbaren. Dat is vast en zeker.U kunt het vinden in de gehele Schrift, wanneer er gesproken wordt over de bekering van zondaren. Nadat zij Christus zijn ingeplant, nadat zij levend gemaakt zijn, vindt u ze als kinderen aan Gods voeten. En wat zijn dan die weldaden? Er zijn er tientallen in het Woord getekend, we noemen slechts deze: de weldaad van de gerechtigheid, die door het geloof in God verkregen wordt. De weldaad van de heiligmaking, die door het geloof in God beoefend wordt. De weldaad van de zaligheid, het beginsel van het eeuwig zalig leven. Al deze weldaden gaat het geloof aannemen. Misschien, zegt u, maar zó heb ik het nog niet ervaren. Denkt u eens goed na, waarom was u zo bedroefd en waarom deed het u zo'n leed zo lang tegen God gezondigd te hebben? En wat maakte de diepte van uw Godsgemis uit? Wel, het waren die goedertierenheden van God, die u tot bekering brachten. Nooit zou u onder het oordeel buigen, als de genade, als de liefde van God uw hart daartoe niet had bewogen.

De zaligmakende kennis is uit een vernieuwd verstand,
gewerkt door de Heilige Geest

Wij gaan nu naar ons tweede punt en letten op de aard, de essentie van het geloof. Wat is een waar geloof? Dat ware geloof is de band met Christus. Bij het historisch-geloof en het tijdgeloof wordt dat gemist. Dus let op, niet alleen de droefheid om het bedreven kwaad, niet alleen hemelse blijdschap om de zaligheid, die God voorgesteld heeft voor allen die in Hem geloven. Dat kan zijn in de harten, die niet oprecht geloven. Er kan een ontzaglijke droefheid zijn in het hart van onbekeerde mensen, een droefheid zó groot, dat wij het uitschreeuwen met Kaïn en Ezau, met Judas en Saul. Zo groot kan die droefheid zijn en het kan dan toch niets te maken hebben met het echte geloof. Laten wij de onderwijzer op de voet volgen. Een waar geloof, is niet alleen een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd wat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft. Als wij alleen maar weten, voor waar te houden, wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft, voor waar houden dan zijn wij nog geen gelovigen. Bij dat voor waar houden noemt de onderwijzer ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in uw hart werkt. Het is een kennis van een vernieuwd verstand. Ik ga de dingen heel anders zien, ik ga ze in Gods verband zien. Dat is die zaligmakende kennis en bij die zaligmakende kennis voegt de Heilige Geest een vast vertrouwen. Dus het ware geloof, dat houdt voor waar wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft. Dat is het. God heeft het gezegd. Er is ook ergens in de Bijbel geschreven, dat de wereld door de wijsheid, God niet gekend heeft. Dat wil niet zeggen, dat er geen dingen in dat Woord staan, die ik niet begrijpen kan. Dat is waar. Er zijn veel dingen in de Bijbel, die voor mij niet opgelost zijn. Maar dat neemt niet weg, dat ik dan toch geloof, wat er geschreven staat, en dat, voor zover de Heere ons dat geopenbaard heeft, wij ook daaruit onze troost ontvangen. Er staat een vast vertrouwen. Dat werkt de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart. Een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving van de zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit loutere genade, alleen om de verdienste van Christus wil. Ja, zo is het geloof, dat zijn de hoofdzaken, die het geloof gelooft.

Vergeving om en door de verdienste van Christus
Dan gaan wij nu naar ons derde punt het voorwerp van het geloof. Wat gelooft het geloof? Het geloof gelooft in de eerste plaats: mij is vergeving van de zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken. Dan staat er: En van God geschonken is. Er staat niet van God geschonken zal worden, maar van God geschonken is. Het is het onderpand, waardoor ik weten mag: straks komt de dag, dan zal ik Hem in gerechtigheid aanschouwen, dan zal ik verzadigd zijn met Zijn goddelijk beeld. Wanneer ik dat ervaar, dan ervaar ik dat als louter genade, alleen om de verdienste van Christus. Het geloof, gelooft de vergeving van zonden. God scheldt ze mij kwijt. Mijn zonden, dat wordt dan de verootmoediging. Dan worden de zonden bitter, dan worden dan de tranen echt, hartelijk, diep. Dan klimt onze ziel met hemelse blijdschap op. Wat blijdschap smaakt dan onze ziel, wanneer we voor Hem mogen knielen in het huis dat Hij Zich heeft gesticht. Om daar het voorwerp van het geloof, de Heere Jezus Christus, te mogen aanschouwen in al Zijn heerlijkheid, in Zijn dierbaarheid, in Zijn grootheid, in Zijn beminnelijkheid, in Zijn gepastheid, in Zijn neerbuigende ontferming. Hij de Herder, ik Zijn schaap, het verloren schaap, het verdwaalde schaap, het schaap dat nooit anders gedaan heeft dan de Herder moeite en verdriet bezorgen. Maar nu het gevonden schaap, het teruggebrachte schaap. Het schaap, dat eeuwig onder de Herder zal leven, dat geleid wordt in de grazige weide aan zeer stille wateren. Dat is het wat het geloof gelooft.

Hij onze ongerechtigheden op Zich genomen
God heeft ons hart aangenomen, dan heeft Hij ons in onze begeerte tot Zich getrokken en zijn de zonden ons de dood geworden. Dan snakken wij naar de vernieuwing en de oefeningen van dat geloof, waarin wij geloven mogen, dat Hij onze ongerechtigheden op Zich genomen heeft, dat Hij ons een eeuwige vrede verworven heeft en dat wij straks zullen delen in die zaligheid, die geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en in het hart van een mens niet is opgeklommen, maar waarvan eeuwig gezongen zal worden:
Hem, Die op de troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid (Openb.5:13). Want Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal en volk, en natie. (Openb.5:9)


                          

















 


a

LOGO






Sola Scriptura